Eline Delrue schrijft

Portretten en levensverhalen

‘Ik maak weer een kans’

leave a comment »


IN HET SPOOR VAN ELAINE, OP NACONTROLE BIJ DE ONCOLOOG

De Stichting tegen Kanker hoopt in meer testamenten op te duiken. Met haar jongste campagne zet ze daarom de mooiste momenten van patiënten in de verf. Dit is het moment van Elaine. ‘Het duiveltje is naar achteren gedrongen.’

Eline Delrue

Foto: Jef Boes

Dat ze deze ochtend uitgebreid in bad is gegaan, vertelt Elaine (57). “Als reinigingsritueel.” Terwijl ze het zegt, danst haar lepel in haar kop koffie. Ze wilde nog even een frisse neus halen, op het buitenterrasje van het ziekenhuis. Straks wacht haar de controle bij de oncoloog, dat halfjaarlijkse moment van de waarheid. “Elke ochtend voor zo’n controle heb ik dat bad nodig: alsof ik mijn lichaam helemaal wil zuiveren. Zelfs al heb ik de avond ervoor mijn haar gewassen, dan zal ik dat ’s morgens gewoon opnieuw doen. Heel even alle ballast eraf. Om de angsten te verdrijven. Om er niet aan toe te geven. Want ergens zit het woordje ‘kanker’ constant in je hoofd te prikken. Dat is nooit ver weg.”

Ze voelde zich gepakt op haar sterkste plek toen ze in de zomer van 2012 de diagnose kreeg: baarmoederhalskanker. Elaine: “Kanker, dat had ik nooit aan mezelf gelinkt. En dan nog aan de baarmoeder. Ik, een moeder van vijf kinderen. Vijf vlotte bevallingen, het was iets om trots op te zijn. Niet dat ik vond dat ik boven die ziekte stond – ik had al twee goede vriendinnen moeten afgeven aan kanker. Maar ik heb altijd een nogal onverwoestbaar gestel gehad. Tot die kanker kwam.”

Toen veranderde alles, zweert ze. “Ik was al afscheid aan het nemen. Mijn hoofd schoot alle kanten uit. In één week tijd heb ik toen de hele kelder gesorteerd en acht grote vuilnisbakken buiten gezet. Ik had werkelijk alle kinderspullen bijgehouden: foto’s, schoolagenda’s, tekeningen, oude filmrolletjes. Ik wilde hen duidelijk maken dat mama enkel datgene had bewaard wat echt belangrijk was. En dus was ik orde beginnen te scheppen. Nu hebben ze alle vijf één doos vol gerief, vroeger hadden ze elk vier bananendozen vol.” (nerveus lachje)

Elaine:

Horen dat ik kankervrij ben: die bevestiging heb ik nu nog meer nodig dan vroeger. Stel je voor dat ik vlak voor de eindmeet alsnog word ingehaald. Daar heb ik schrik voor, ja.

Ze roert in haar mok, terwijl ze vertelt hoe drastisch de chemo en bestralingen in haar lijf binnenkwamen. Hoeveel er is vernietigd in de hoop te genezen. Het maakt dat ze ook sneller in paniek slaat, vertelt Elaine. “Krijg ik buikkrampen, dan denk ik: dat zal toch geen darmkanker zijn? Zie ik een nieuw vlekje op mijn vel, dan word ik al ongemakkelijk: stel dat het huidkanker is? Vroeger had ik die angsten niet. Dat is echt een groot verschil: het leven voor en na de kanker.”

Vijf jaar lang moeten kankerpatiënten op nacontrole: eerst om de drie maanden, daarna om het halfjaar. Voor Elaine is het nu het vierde jaar, nooit werd er een kankercel teruggevonden. Het maakt de stress er niet minder om – zie dat lepeltje maar rondjes draaien. “Die bevestiging – de kanker is weg – is nu nog meer dan vroeger nodig. Stel je voor dat je vlak voor de eindmeet alsnog wordt ingehaald. Daar ben ik bang voor, ja.”
Ze lacht een beetje vergoelijkend als ze eraan terugdenkt hoe ze gisterenavond, tijdens ons eerste telefoontje, al meteen zo’n “zwaar verhaal” neerzette. Rustig een boek lezen was er ook weer niet bij, zegt ze nog. Typisch aan de vooravond van zo’n Grote Controle. “Die afspraak bij de oncoloog legt zoveel gewicht op je, dan moet je wel op zoek naar afleiding. Iets op televisie volgen zit er dan niet in. Onmogelijk. Dan dwalen je gedachten toch weer af. Dus heb ik de kussens van de tuinstoelen zitten naaien. Met de hand, niet met de machine. Om het bewust steek per steek te moeten doen. Tweeënhalf uur lang.”
Die rusteloosheid zit er nog in als haar zus haar komt wegplukken van het terras: de oncoloog wacht, de koffie is koud.
Elaine verdwijnt in de dokterskamer, samen met haar zus. Fotograaf Jef Boes volgt. Voor het project Goed Nieuws, een samenwerking met de Stichting tegen Kanker, portretteert hij patiënten die op nacontrole gaan. Op hun ‘exacte moment’, het moment waarop ze te horen krijgen dat ze kankervrij zijn, of dat het de goede richting uitgaat. Op die manier wil de Stichting tegen Kanker ons het resultaat tonen van jarenlang wetenschappelijk onderzoek, en wat dat met een mens doet. Onderzoek dat alleen maar mogelijk is met de steun van het publiek, zo luidt het.

De oncoloog buigt naar voren. Dít is het moment, haar moment. De fotograaf drukt af en vat de glinster in Elaines oog. Een kwartier later wandelt ze naar buiten, op haar jeansbroek heeft ze twee natte plekken. “Kankervrij”, kreeg ze te horen. De tranen die ze nu uit haar ogen wrijft, zijn van opluchting.

Elaine:

Het is niet genoeg dat de dokter zegt dat je genezen bent. Je moet het ook zelf geloven en kunnen afsluiten in je hoofd. Daar ben ik nieuwsgierig naar: of ik dat ooit ga kunnen

 

“Ik maak weer een kans”, verzucht ze. “Dat gevoel heb ik nu. Het duiveltje in mijn hoofd is naar achteren gedrongen, zijn stemmetje is niet meer zo hoorbaar. Ik heb nieuwe energie om terug te slaan. Opgepompte moed om al die andere onderzoeken te ondergaan. Het wordt een straatje met een einde. Ongelooflijk.”

Haar ogen gloeien als kooltjes als ze het zegt: “Die krampen in mijn buik, die vlekjes op mijn huid: het zijn gevolgen van de bestraling, maar het is geen kanker. Je kunt je niet voorstellen wat voor een opluchting dat is.”

Wie weet wordt ze wel nog oma, zo zit ze even later weg te dromen, met haar handen om een verse kop koffie geslagen. “Het klinkt misschien belachelijk, maar ik hoop zo hard op rosse haartjes bij het nageslacht. (lacht uitbundig) Zelf wilde ik dolgraag een kind met rode haren. Maar nee hoor. Vier jongens en één meisje, allemaal zwart. O, wat heb ik nog veel om naar uit te kijken.”

Dat ze haar kelder voor niets heeft opgeruimd, giechelt ze nog, na een gulzige slok. En dat ze die bananendozen nu wel even uit haar hoofd mag zetten. Want waarom terugblikken als je weer vooruit durft te kijken? “Ai ai, Elaine”, roept ze zichzelf tot de orde. “Zoiets mag ik niet te veel denken. Ik mag nu niet berusten. Straks val ik nog door de mand. Kijk, zo gaat dat dus voortdurend met kanker.”

Haar koffie is op, haar jeansbroek droog. We ruilen het ziekenhuis in voor een zonnig terras enkele kilometers verderop. Mag wel, na zo’n ‘goed nieuws’, om het met de woorden van de Stichting tegen Kanker te zeggen. Voelde het ook zo voor haar, als een ‘exact moment’? Elaine aarzelt: “Eigenlijk moet ik dan weer een halfjaar verder kijken. Want dan komt er weer zo’n controle aan. Hét moment zal pas volgend jaar zijn, na vijf jaar, en op voorwaarde dat ik het zelf geloof. Want het is niet genoeg dat de dokter zegt dat je genezen bent. Je moet het ook geloven en hier kunnen afsluiten. (tikt op haar hoofd) Daar ben ik wel nieuwsgierig naar, of ik dat ooit ga kunnen.”

Uit De Morgen, 22 oktober 2016

Advertenties

Written by Eline Delrue

28 oktober 2016 at 1:20 pm

Geplaatst in Uncategorized

‘Als een koele kikker zonder geweten, zo stel ik mij hem voor’

leave a comment »


EVA (30): SLACHTOFFER VAN EEN ONOPGEHELDERD VLUCHTMISDRIJF

Een week duurde het voor de doodrijder van Merel De Prins (12) zichzelf kwam aangeven bij de politie van Vilvoorde. Eva (30), als tiener van de weg gemaaid door een onbekende, wacht nog altijd op een ‘sorry’. ‘Dat je uit een reflex wegvlucht, snap ik nog. Maar ooit moet dat geweten toch opspelen?’

Eline Delrue

2015-11-07-De-Morgen-page-001

Het is haar zoontje Frans (4) die de voordeur opentrekt, want “mama kan maar een beetje lopen, hé”. De wandelstok, tegen de muur in de gang, blijft onaangeroerd. Die is voor buiten. Slepend met haar linkerbeen gaat Eva ons voor naar de keuken. Een plek die zoveel mogelijk ingericht is om alles met één arm te doen. Ze moet eens hard lachen om die plakker op haar duim. “Pompoenen gesneden. Niet simpel met één hand. Maar het is te laat om het nu nog te laten naaien.”

Naast ons, in de living, zoekt Frans zus Astrid op. Zij is acht en weet sinds vanochtend wat een vluchtmisdrijf is. Frans, dollend met zijn speelgoedauto’s, beseft nog niet wat het met zijn mama doet als hij weer eens luidkeels ‘botsing!’ roept.

Maar keren we eerst even terug naar die vervloekte dag, twaalf jaar geleden. Het is 22 december, drie dagen voor kerst. Eva is achttien en blij: het is de eerste dag van de kerstvakantie en ze heeft een schitterend rapport. De volle 100 procent voor kunstgeschiedenis, haar lievelingsvak. De leraars hebben gezegd dat ze hierin verder moet, en dat is ook haar droom. Boordevol plannen fietst ze door Antwerpen, van bij een vriend naar huis. Maar daar, op het kruispunt met de Balansstraat, wacht haar een afspraak. Niet met de dood, net niet. Wel met een totaal ander leven.

Als Eva linksaf slaat, schept een wagen haar frontaal op. Omstanders horen een luide klap en verstarren. Zij knalt met haar hoofd tegen de voorruit, duikt over de auto, en landt daarna opnieuw met haar hoofd op straat. Bewusteloos, met een dubbele schedelbreuk en een gebroken ruggenwervel: zo ligt Eva er roerloos bij. De bestuurder in kwestie stopt, dooft de lichten van de wagen, komt op Eva toe gelopen, pakt haar fiets, gooit die in de kofferbak en scheurt weg. Snel genoeg om alle sporen te wissen. Was de chauffeur een man of vrouw? Niemand die het weet. Om welke auto het ging? Daarover zijn getuigen het niet eens.

“Zelf herinner ik me daar natuurlijk niks van. Die hele fietsrit is een black-out. Ik heb alles pas later vernomen, uit de verslagen van getuigen. Maar toen ik dat voor het eerst hoorde, dat die chauffeur me heeft zien liggen maar toch is weggesneld. Ik kan je verzekeren, dat was lastig.”

Eva:

Ik haatte die persoon, ook al wist ik niet wie het was. Tijdens de kine voelde ik dat tot in mijn armen: die agressie, die frustratie vooral

Het zag er niet goed uit, na drie hersenbloedingen en vijf weken coma. Mocht ze nog ontwaken, dan gegarandeerd als een kasplantje, zo vertelden de artsen. Maar nadat ze hadden voorgesteld om de stekker eruit te trekken, werd Eva twee weken later langzaam wakker. “Dat moet als een verrassing gekomen zijn, ja. Mijn ouders waren al afscheid aan het nemen. Maar ik ben altijd wel een vechter geweest. (fijntjes)

“Maar goed, ik was nog maar wakker of er stond al een agent aan mijn bed. Welke kleur die auto had? En of ik de nummerplaat nog wist? Echt waar! Wat hadden die nu verwacht? Ik kon op dat moment nog niet eens praten, slikken of zitten. Ik kende mijn eigen naam niet meer. Meer nog, ik zat zodanig onder de morfine tegen de pijn dat ik compleet in de war was. Ik dacht zelfs dat het ongeluk met een knalroze Barbiefiets was gebeurd. Maar dat was de fiets van een vriendin, zelf reed ik met een totaal andere. (lacht) Kun je nagaan hoeveel ze aan mijn verklaring hadden. Niet veel later werd het dossier al geseponeerd. Mijn moeder moest dat vernemen toen ze zelf contact opnam met de burgemeester. Reden: geen spoor van de dader.”

Nog altijd holt ze een beetje over haar woorden als ze veel en lang moet praten. Anderhalf jaar lang moest ze repareren en revalideren. Dat de hele zaak onopgehelderd bleef, hielp niet echt. “Ik had zo’n enorme boosheid in mij. Ik haatte die persoon, ook al wist ik niet wie het was. Tijdens de kine voelde ik dat tot in mijn armen: die agressie, die frustratie vooral. Want wat vroeger als vanzelf ging, waren nu moeilijke oefeningen. Ik was zo kwaad wanneer het dan niet lukte, zo kwaad op die ene onbekende. Niet verwonderlijk, denk ik. Je bent achttien, wilt wereldreizen maken, met de rugzak trekken en toffe dingen doen. Gewoon jong zijn, dus. Je wilt niet revalideren tussen kleine kindjes.”

Vakkundig slikt ze een krop weg, om die meteen erna door te spoelen met een grapje. “Ik bedoel maar: je bent achttien. Dan wil je niet dat je jongere zus je bedpan moet voorverwarmen. Dat ijskoude ding. (lacht) Al was ik er zo blij om dat ze dat deed.”

“Kijk, het is allemaal ook zo dubbel: je bent zielsgelukkig dat je het hebt overleefd. Maar je moet er wel mee om kunnen dat je ineens anders bent. Je toekomst is 180 graden gedraaid. Geen kunstgeschiedenis aan de unief, geen diploma, geen trektochten met de rugzak. Die boot heb ik gemist. Wel blijf je achter met een been en een arm die niet mee willen. En met het besef dat je veel hulp moet inroepen, van familie, vrienden, buren. Om je huilende babydochtertje te wiegen, bijvoorbeeld. Of om veters te knopen. Al heeft Astrid er eigenlijk nooit veel vragen over gesteld. Frans staat er meer bij stil, merk ik. Elke morgen voor hij naar school vertrekt, zegt hij: ‘Mama, jouw hand is kapot hé.’ De eerste keer was dat wel even slikken.”

Eva:

Ik steek het bewust achteraan in mijn herinneringen. Noem het selectieve doofheid in emoties. Voel ik mij niet goed, dan blok ik dat af

Dat haar leven zo veranderde, zonder te herinneren hoe, daar kan ze nog altijd van liggen woelen. “Ik heb mij de voorbije jaren al veel suf gepiekerd in bed. Dan haal ik mij die straat voor de geest en probeer ik me voor te stellen hoe het allemaal is gebeurd. Maar dat komt natuurlijk niet. Daarom dat ik die gedachten zoveel mogelijk probeer te vermijden. Het leidt toch alleen maar tot slapeloze nachten.”

De tranen tijdig inslikken, het lijkt een strategie. “Laat ons zeggen dat ik het bewust achteraan in mijn herinneringen steek. Noem het selectieve doofheid in emoties. Voel ik mij niet goed, dan blok ik dat af. Zelfmedelijden heb ik afgezworen, dat helpt je geen meter vooruit. En aan medelijden van anderen heb ik totaal geen boodschap, dat ligt niet in mijn aard.”

Tuurlijk heeft ze het gevolgd, het nieuws over het vluchtmisdrijf en het overleden meisje van twaalf. “Maar ook dat heb ik bewust op een afstand gelaten. ‘Schandalig’, dacht ik, net zoals ieder ander dan reageert. Persoonlijker nam ik het niet. Wel was ik enorm opgelucht, omdat de media deze keer wel zoveel druk zetten op de zaak. Dat was bij mij helemaal anders. Iedereen zat toen met zijn hoofd bij de kerstcadeaus en feestdagen. Er kwam geen enkele oproep naar de dader. Vooral mijn ouders hadden het daar erg moeilijk mee, dat de zaak zo stil gehouden werd.”

Een opsporingsbericht kwam er nooit. Wel een boek over haar verhaal, door schrijver Luc Descamps: Verkeerd moment, verkeerde plaats. Een boek dat scholen vaak gebruiken om tieners te sensibiliseren. Eva: “Ik heb die titel zelf gekozen. Om de een of andere reden vond ik troost in die vier woorden. Ze gaven een antwoord op al mijn vragen, al was het maar voor even. Ik had gewoon pech gehad, punt.” Ze stapt naar de gang, rommelt in een lade en duikelt het boek op. “Nee, het staat niet bepaald op de eerste rij in onze bibliotheek. Heel bewust ook. Het is zoals met dat kruispunt zelf. Ik zal die straat altijd mijden, ik kom er eigenlijk nooit meer. Het is de plaats waar mijn toekomst overhoop werd gehaald. Waar iemand de schaar bovenhaalde en de draad bijna doorknipte. Die confrontatie wil ik niet altijd aangaan.”

Voor een rolstoel is ze “te ijdel”, dat zegt ze zelf. Voor een driewieler op maat van andersvaliden ook. Dus staat er een bakfiets voor de deur. “Die heeft ook drie wielen, maar dan omgekeerd. (glimlacht) Je moet soms wat creatief zijn in oplossingen.” Zonder fluohesje zul je haar niet zien op de fiets, en de kinderen nooit zonder helm – “Ik snap niet dat sommige ouders daar zelfs over willen discussiëren. Die helm moet gewoon op, zo simpel is het.”

Eva:

Ik hoop alleen dat hij soms ook slecht slaapt, dat hij weleens worstelt met zijn geweten. Hij heeft de dag nadien toch mijn fiets
in zijn koffer zien liggen?

Vluchtmisdrijven in de media of niet, Eva houdt zich overeind. Maar volgende maand, als kerst nadert, dan wordt het weer moeilijk. “Wat haat ik die feestdagen. Elk jaar, op de verjaardag van het ongeluk, krijg ik het lastig. Dan denk ik telkens: zou ik een oproep doen? Maar dat zou natuurlijk niks uithalen. Die fiets is al lang een hoopje schroot in de Schelde.”

Leeft ze nog met wrok? Met boosheid tegen die grote onbekende? “Ik hoop alleen dat hij soms ook slecht slaapt, dat hij ook weleens worstelt met zijn geweten. Ik snap nog dat je als dader wegvlucht, uit een natuurlijke reflex. Als je iets heet vastpakt, laat je het ook vallen. Maar daarna moet toch je moraal komen, moet je geweten opspelen? Hij heeft de dag nadien toch die fiets in zijn koffer zien liggen? Als een koele kikker, zo stel ik hem mij altijd voor. Iemand zonder geweten, zonder emoties.”

Gaat het om een vluchtmisdrijf, dan geven veel daders zich binnen de 24 uren aan. Anderen lopen er dagen, weken, maanden of jaren mee rond. Eva verzucht eens: “Ik hoop er wel op, maar ik reken er niet op: dat hij – of zij – zich alsnog aangeeft, zelfs twaalf jaar na datum. Dat de dader bekend is en de verzekering eindelijk haar werk kan doen. Want nu moet ik putten uit een fonds voor slachtoffers van vluchtmisdrijf. Maar ook dat is een zaak die al ellenlang aansleept.”

Eindelijk weten wie die ene was, die man of vrouw met de schaar: “We moeten realistisch blijven. Het zou bijna te schoon zijn om waar te zijn. Maar dan zou ik pas echt een nieuw leven kunnen beginnen. Hoofdstuk afgesloten, alle vraagtekens uitgeklaard, opnieuw een vrij mens. Ik zou niet eens kwaad worden, denk ik, mocht ik de dader zien. Ik zou zelfs zijn excuses kunnen aanvaarden. Want ook na twaalf jaar zou een sorry nog welkom zijn.”

Uit: De Morgen, 7 november 2016

Written by Eline Delrue

9 november 2015 at 12:37 pm

Alles voor je kind? Of eerder voor je genen?

leave a comment »


Een Frans koppel is overleden in de hete woestijn van New Mexico. Met hun laatste water konden ze hun zoon sparen. Je eigen vel redden of dat van je kind? Moeders zullen pas echt alles op alles zetten, zeggen experts. ‘Bij vaders speelt onbewust de twijfel mee: is het wel mijn kind? Daar kan geen DNA-test tegenop.’

Eline Delrue

© Illustratie: Nina Vandeweghe

© Illustratie: Nina Vandeweghe

Een tragische ontdekking in de woestijn van New Mexico, in het zuidwesten van de Verenigde Staten. Tijdens een routinecontrole in het nationaal park White Sands stootten opzichters op het levenloze lichaam van een Franse toeriste, Ornella Steiner. Op het fototoestel dat de vrouw bij zich had, waren beelden te zien van haar man en haar zoon. De rangers zetten hun tocht

verder, waarop ze even later ook de overleden vader, David Steiner, aantroffen. Vlak naast hem lag zijn zoon Enzo, negen jaar oud. Uitgedroogd, maar nog bij bewustzijn. Hij is intussen aan de beterhand, zo citeert Le Parisien zijn grootvader. Volgens diezelfde man hebben mama Ornella en papa David hun zoon gered, met het water dat ze bij zich droegen. “Ze hebben hun laatste restjes water aan Enzo gegeven.” Maar zelf stierven ze.

Mark Nelissen (gedragsbioloog):

In een fractie van een seconde ga je onbewust afwegen: wat is het beste scenario om mijn genen door te geven? Dat ik mezelf in leven hou, mijn kind laat sterven, en later een nieuw kindje maak? Of dat ik mezelf opoffer en mijn kind red, zodat hij of zij mijn genen kan verderzetten?

Je eigen vel redden of dat van je kind? Het is zelfs geen dilemma, meent gedragsbioloog Mark Nelissen, verbonden aan de Universiteit Antwerpen. “Het gaat puur af op instinct en past helemaal in een oeroud gedragsmechanisme: dat van de drang naar voortplanting. Het is universeel. Dier of mens: we willen nakomelingen én we willen die ook in leven houden. Anders komt het voortplantingsmechanisme in gevaar en worden onze genen niet doorgegeven. Kortom: als ouders willen we niet alleen kinderen, we willen ook kleinkinderen, achterkleinkinderen… Een hele keten van onze genen.”

Spring je met volle overgave voor die wegpiraat die je dochter gaat aanrijden? Ren je als een gek je brandende huis in als je zoontje boven ligt te slapen? Het zijn doemscenario’s die weleens in het ouderlijke hoofd durven te schieten. Maar als het moment daar echt is, dan gebeurt er iets waar we geen controle over hebben. Nelissen: “In een fractie van een seconde ga je onbewust afwegen: wat is nu het beste scenario om mijn genen door te geven? Eén: dat ik mezelf in leven hou, mijn kind laat sterven, en later een nieuw kindje maak? Of twee: dat ik mezelf opoffer en mijn kind red, zodat hij of zij mijn genen kan verderzetten?”

Net hetzelfde zie je bij dieren, gaat de professor verder. Neem nu een broedende steltloper. Stel, de moeder zit op haar nest en ziet ineens een vos naderen. Strompelend zal ze het nest verlaten, om alle aandacht weg te halen van haar kleintjes, zelfs al loopt ze zo zelf gevaar. Maar stel dat ze in dat nest gewoon zit te broeden, dat de eitjes nog niet open zijn. Geen sprake van dat ze haar eigen leven dan op het spel zal zetten. Dan denkt ze gewoon aan zichzelf, en aan haar latere kans op nieuwe eitjes.

Mark Nelissen:

Is het kind wel van míj? Die vraag doet bij alle papa’s onbewust een alarm afgaan. Daar kan geen DNA-test tegenop. Het klinkt keihard, maar daarom zullen ze nooit zo voluit gaan om hun kind te redden als de moeder

“We denken allemaal o zo graag dat we alles rationeel benaderen”, gaat Mark Nelissen verder. “Velen zullen opwerpen: ‘Dat Franse koppel deed het toch gewoon uit liefde voor hun kind?’ En dat klopt ook, maar wat betekent die ‘ouderliefde’? Dat komt juist neer op de inzet die je hebt om dat kind in leven te houden, om zo stukjes van jezelf door te geven.”

Opmerkelijk: vooral moeders zetten alles op alles om hun kroost te sparen. En dat houdt steek, vindt de gedragsbioloog. “Want alleen de moeders zijn 100 procent zeker dat het kind van hen is. Voor een mannetjesdier of papa is de twijfel nooit helemaal van de baan. Zelfs bij jonge vaders blijft dat in tijden van DNA-tests nog altijd onbewust door het hoofd spoken. Zelfs al staat er zwart op wit dat het kind van hem is, toch slaat zijn brein alarm. En het klinkt keihard, maar het is zo: de doorsnee vader zal daardoor nooit zo voluit gaan als de moeder.”

Het doet denken aan het voorval met een Canadese vrouw zes jaar geleden. Verschrikt zag ze toe hoe een vervaarlijke poema haar dochtertje van drie aanviel. Zonder twijfelen en met blote handen vloog ze het roofdier aan. Het beest schrok zo hard dat moeder en kind er met een paar schrammen vanaf kwamen. Nelissen: “Maar zet daar een heldhaftig man, en die zou dat nooit doen. ‘Het is zinloos’, zal die denken. ‘Dat red je nooit.’ Maar bij moeders is die drang om hun kind te redden bijzonder groot. Als een leeuwin.”

Manu Keirse (klinisch psycholoog):

Je kind redden omdat jij het in die noodsituatie hebt gebracht: dat is niet alleen biologisch normaal, maar ook sociaal, mentaal en emotioneel. Kinderen zijn in het beste geval het product van liefde. En die liefde speelt hier hard mee

Gynaecologen zien het al van bij de kinderwens, hoe ingebakken het zit om nakomelingen te hoeden en behoeden. Maar, zo schrijft hun deontologische code voor, het leven van de vrouw staat altijd voorop op dat van het ongeboren kind. Ter info: van een ‘ongeboren kind’ is pas sprake na 25 weken zwangerschap, als de foetus in principe levensvatbaar is. “Als we de moeder kunnen redden, zullen we dat doen, ook als daardoor de foetus in gevaar komt”, duidt gynaecologe Petra De Sutter (UZ Gent). “In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij kanker, kun je beide proberen te redden. Door de foetus iets vroeger dan normaal ter wereld te brengen, en de vrouw sneller met chemo te laten starten.”

Het zijn verhalen die met de regelmaat van de klok de media halen: zwangere maar zieke vrouwen die een behandeling uitstellen tot na de bevalling, om zo hun kind te sparen. Soms ten koste van hun eigen leven. Maar het omgekeerde bestaat ook, vult professor Nelissen aan. “Denk aan het chiromeisje, jaren terug, dat haar baby vermoordde. Je ziet het nog weleens bij tienermeisjes, en het is perfect biologisch te verklaren. Onbewust maken ze de balans: ik ben nog te jong, heb geen partner, ik kan dit kind nu niet grootbrengen. Plus: deze baby verkleint mijn kansen op een echt gezin, op een later kind om mijn genen door te spelen. IJskoud lijkt het, maar dat is het verhaal erachter.”

Dan klinkt het relaas van het Franse koppel en hun zoontje bijna hartverwarmend, hoe triest ook. ‘Waar zijn we in godsnaam in terechtgekomen?’, moeten ze hebben gedacht. Maar ook, zo vertelt klinisch psycholoog Manu Keirse: “‘Waar hebben we onze jongen in meegesleurd?’ Dat zij hem met hun laatste druppels vocht wilden redden, is niet alleen biologisch normaal, maar ook sociaal, mentaal en emotioneel. Kinderen zijn niet meer de handige arbeidskrachten die ze ooit waren. Ze zijn in het beste geval het product van liefde. En die liefde speelt hier hard mee.”

Manu Keirse:

Dat je leeft, ten koste van je ouders, doet je ongetwijfeld schuldig voelen. En dat moet je van je af kunnen praten. Want opgekropte schuldgevoelens zijn levensgevaarlijk

Het moet wat doen met een mens. Dat idee: mijn laatste uur is geslagen, wie zal er nu voor hem zorgen? “Al zijn we van alle dieren sociaal het verst gevorderd”, vertelt professor Nelissen. “We hebben een netwerk. Dat maakt dat je in die onbewuste fractie van een seconde ook hoopt: misschien kunnen de grootouders, tantes of hulpverleners voor hem zorgen? En dat je daar dan vrede mee neemt.”

Dat je als kind verweesd achterblijft, lijdt geen twijfel. Je leeft, ten koste van je ouders. “Die jongen zal zich enorm schuldig voelen”, meent Keirse. “Dat is ook een volstrekt normale reactie na het overlijden van een dierbare. Niet alleen kinderen hebben dat, ook volwassenen. Na de busramp in Sierre, bijvoorbeeld, kwamen veel ouders met de vraag: ‘Ik voel me zo schuldig. Is dat wel normaal?’ Want al hun naasten weerlegden dat natuurlijk: ‘Maar je bent toch niet schuldig, je kunt er toch niks aan doen dat een bus tegen een tunnel rijdt.’ En inderdaad, ze zijn niet schuldig. Maar ze mogen zich wel zo voelen, want dat gevoel heeft alles te maken met liefde.”

Het van je af praten, dat is de enige pil. Alleen zo, door het honderd keren te herhalen, krijg je die schuldgevoelens uit je lijf geschud. Keirse: “Laat die Franse jongen dus uitspreken als hij zegt dat hij zich schuldig voelt. Want opgekropte schuldgevoelens zijn levensgevaarlijk. Zo was er een jongetje van zes dat in de Ardennen een huis in brand stak: zijn twee vriendjes kwamen om in de vlammen. Toen de politie hem aansprak, was het eerste wat hij zei: ‘En ik heb mijn papa een jaar geleden ook al dood gedaan.’ Zijn vader was gestorven aan kanker, en al die tijd had die jongen zich schuldig gevoeld aan zijn dood. Alleen, hij kon het nooit uiten. Dan ontplof je.”

Uit: De Morgen, 10 augustus 2015

Written by Eline Delrue

10 augustus 2015 at 12:19 pm

Geplaatst in Uncategorized

‘Laat risico op kanker je kinderwens niet verstoren’

leave a comment »


Noem Katrien (35) gerust de Vlaamse Angelina Jolie. Door een fout op het BRCA-gen liet ze na haar boezem ook haar eierstokken preventief wegnemen. Belangrijk verschil: Katrien, mama van twee, kan wél nog kinderen krijgen. ‘Weten dat die kans bestaat, is een hele geruststelling.’

Eline Delrue

Illustratie: Brecht Evens

Illustratie: Brecht Evens

Het zijn niet de romantische komedies waarbij Katrien (*) een traan laat. Eerder de expliciete seksscènes in films, met de borsten bloot in beeld. “Dan komt dat gemis naar boven: dat ik geen gevoel meer heb in mijn nieuwe borsten. Niet dat die amputatie een groot dilemma was. Al van jongs af aan wist ik dat ik ze ooit ging kwijtspelen. In mijn herinnering heb ik ook dat beeld van mijn mama: een vrouw zonder borsten. Ergens was dit zelfs een opluchting: omdat ik ze niet kwijt raakte door kanker, maar preventief.”

Katrien was 18 toen ze haar moeder verloor: de borstkanker was te hevig uitgezaaid. Toch duurde het tot haar 32ste voor ze hoorde dat ze erfelijk belast is, dat er een defect zit op haar BRCA-gen. Haar twee dochtertjes waren er toen al. Katrien: “Ik heb altijd geweten dat het risico op een genetische fout bestond. Een kankerspecialist sprak mij er al over aan toen mijn moeder terminaal was. Die angst lag altijd op de loer. Alleen: ik wilde de test niet zomaar laten doen. Ik wou het niet gewoon weten om te weten. Want als de uitslag positief was, dan zou ik meteen ingrijpen. Dat had ik voor mezelf uitgemaakt. Maar wat voor zin had het om al op mijn achttiende onder het mes te gaan? Zeker als je weet dat ik sowieso elke zes maanden op controle moest, precies door mijn familiegeschiedenis.”

Katrien: 

Je borsten laten wegnemen, en je eierstokken: als jonge mama had ik veel meer schrik voor dat laatste. Ik was bang ineens een oud vrouwtje te worden

Na de genetische test kon het niet snel genoeg gaan. Twee maanden later al liet ze haar boezem wegsnijden, vorige zomer gingen ook haar eierstokken eruit. Al was dat laatste, net als voor Angelina Jolie, een veel groter vraagstuk. En dat om twee redenen, vertelt Katrien: de twijfel over een derde kind, plus die plotse menopauze. “Voor de buitenwereld is dat anders: je borsten laten wegnemen klinkt ernstiger dan je eierstokken. Maar als jonge mama had ik veel meer angst voor dat laatste. Ik was bang om ineens een oud vrouwtje te worden. Want kijk om je heen, naar vrouwen die in de menopauze komen: je ziet ze zo verouderen. En bij hen verloopt de overgang dan nog geleidelijk, na een preventieve ingreep gebeurt dat in één-twee-drie. Ook al hoorde ik dat de hormoonpillen en -gels dat voor een groot stuk konden opvangen, het jaagde me toch schrik aan.”

Dat de kanker kon toeslaan, wist ze. Wanneer, daar was geen glazen bol voor. Maar dat ze nog nadacht over een derde kind, maakte het er niet makkelijker op. Sprak ze over haar kinderwens, dan gaven specialisten allemaal hun advies. Van “maak eerst nog een derde en laat je eierstokken nadien wegnemen” tot “beter twee kindjes met een mama dan drie zonder”. Katrien: “Dat laatste hakte erin, maar het was ook wel waar. Alleen: het is toch normaal dat je je kinderwens veilig wilt stellen, ook al heb je er twee.”

Veel vrouwen met een defect BRCA-gen staan vandaag voor een tweesprong: volgen ze hun moederhart, met het risico kanker te krijgen? Of spelen ze op veilig, laten ze hun eierstokken wegnemen en bergen ze die kinderwens op? Wat velen niet weten, is dat er een achterpoortje is, zegt Katrien: “Want waarom kiezen tussen twee scenario’s waarbij je inboet? Wil je nog kinderen, geef dat dan niet zomaar op.”

Katrien:

Mijn jongste dochter heb ik anderhalf jaar de borst gegeven. Vrij lang. Misschien ook wel omdat ik wist wat er te gebeuren stond

Nog voor haar eierstokken eruit gingen, liet Katrien daarom eicellen wegplukken, bevruchten en invriezen. De ‘klassieke’ manier, zeg maar. Maar ook na haar ingreep – en dat is een pak innovatiever – vingen wetenschappers eitjes op uit haar verwijderde eierstokken. De techniek was nog nieuw en de verwachtingen klein, maar het leverde een mooie oogst op. Wil Katrien ooit een kroost van drie, dan heeft ze 22 embryo’s in het vriesvak. Dat lijkt meer dan een moeder aan kan. Maar een aanzienlijk aantal van de vruchtjes valt af, alleen al door die genetische fout.

Of er nog een derde komt? “Wie weet”, glimlacht Katrien. “Dat de kans bestaat, is alleszins een grote geruststelling. Weten dat het kan is voor ons misschien wel belangrijker dan er effectief gebruik van maken. Want laten we wel wezen: het zijn twee zware jaren geweest. Het zou een andere zwangerschap zijn, via ivf. En een ander moederschap, zonder borstvoeding. Mijn jongste dochter heb ik anderhalf jaar gezoogd. Vrij lang. Misschien ook wel omdat ik wist wat er te gebeuren stond.”

Katrien:

Nu ik niet langer voor mezelf hoef te vrezen, is mijn angst verschoven. Wie weet word ik ooit oma. Maar worden mijn dochters wel moeder? 

Volgt er een nakomertje, dan is er wel die ene opluchting: hier geen risico op een mutatie in het BRCA-gen. Voor haar twee dochtertjes blijft het de loterij, fifty-fifty. Zij werden als embryo niet getest. Omdat de techniek bij de eerste nog ver van ons bed stond, en omdat een tweede snel gewenst was. “Soms kan ik me daar vreselijk schuldig over voelen”, vertelt Katrien. Ze duwt haar duim tegen haar slaap en wrijft haar vingers over het voorhoofd. “Ook al weet ik dat ik mezelf niks moet verwijten.”

Zelf gaat ze nog jaarlijks op controle, puur uit veiligheid. De grootste schrik is eruit. “Al is die angst nu wat verschoven”, voelt Katrien. “Voor mezelf hoef ik niet meer te vrezen. Ik heb me nu zoveel mogelijk ingedekt. Wellicht zie ik mijn meisjes langer opgroeien dan mijn moeder mij. Wie weet word ik ooit oma. Maar als ik daaraan denk, slaat die angst opnieuw toe: worden mijn dochters wel ooit moeder? Als ze zich ooit laten testen, dan hoop ik dat het voor hen anders uitdraait. Dat ze het juiste lootje hebben getrokken.”

(*) Katrien is een fictieve naam

 

ONDERTUSSEN IN HET LABO: IN VITRO MATURATIE

Hoezo, onvruchtbaar? 

In haar open brief in The New York Times stelde Angelina Jolie dat ze geen kinderen meer kan krijgen, nu ze haar eierstokken preventief liet wegnemen. Maar, zo benadrukt fertiliteitsexpert Michel De Vos (UZ Brussel), lotgenoten die dat willen kunnen nog altijd voluit voor hun kinderwens gaan.

Zo kun je vóór de ingreep eicellen laten wegprikken en invriezen. Maar, en dat is “revolutionair”, ook vlak na de operatie kun je je kinderwens nog veilig stellen. Die innovatieve techniek, in vitro maturatie, wordt in Vlaanderen vooralsnog enkel in het UZ Brussel toegepast.

“Na de operatie worden de eierstokken in het labo ontleed”, licht professor De Vos toe. “Terwijl je ze in stukjes snijdt, komen er eicellen vrij. Die zijn nog onrijp, maar leg ze in een schaaltje met kweekvloeistof en na één dag zijn ze gerijpt. Het zijn eitjes die anders bij het vuilnis terecht zouden komen. Maar met deze techniek kunnen we ze toch inschakelen.”

Te veel jonge vrouwen met kanker, of een verhoogd risico erop, gaan ervan uit dat ze hun kinderwens niet kunnen vervullen, merken gynaecologen op. Sommigen beseffen pas na de chemo of na hun herstel dat hun eicellen vernietigd zijn. “Daarom moeten we dringend meer sensibiliseren”, stelt De Vos. “Niet alleen bij oncologen, maar ook bij huisartsen en patiënten zelf. Kanker krijgen is dramatisch. Eicellen laten wegnemen en invriezen is dan voor velen een lichtpuntje, iets hoopvols.”

Meer info op: http://www.oncofertiliteit.be

 

Uit: De Morgen, 28 maart 2015

Written by Eline Delrue

30 maart 2015 at 6:45 pm

‘Aan een draadje hangen? Dan neem ik liever zelf de schaar’

leave a comment »


TERWIJL EXPERTS ZICH OVER EUTHANASIEWET BUIGEN, PLANT CHRISTINE HAAR EINDE

Ze staat met twee voeten in het leven, al is Christine (58) in de ban van de dood. Ze is palliatief, haar kanker zal nooit genezen. Precies daarom wil ze er tijdig kunnen uitstappen. ‘Aan een draadje hangen en wachten tot het wordt doorgeknipt: het is een schrikbeeld. Dan neem ik liever zelf de schaar.’ Experts steken de koppen bij elkaar over een uitbreiding van de euthanasiewet. 

 

Foto Christine Parijs

Christine, als ze 23 jaar is. Op huwelijksreis in Parijs

Eline Delrue

Wil het lot een beetje mee, dan heeft Christine niet eens de tijd om de krant erbij te nemen. Dan zit ze vandaag op het vliegtuig naar de Kaapverdische Eilanden, nabij de westkust van Afrika. Voor die allerlaatste reis die ze nog wil maken, samen met haar man, kinderen en kleinkinderen. Nog één keer terug naar de roots, naar het continent waar het voor haar allemaal begon. In het volste besef dat het straks ook allemaal eindigt.

Dat ze zich geen illusies maakt, zo vertelt ze een kleine maand voor afreis. Dat ze pas haar koffers kan pakken als de nieuwe, zware chemokuur het toelaat. “Dat is nog het moeilijkste van al: geen plannen meer kunnen maken. Van jongs af aan stampen je ouders het er al in: dat je aan je toekomst moet denken, dat niemand zomaar van dag tot dag kan leven. Tot je terminaal ziek wordt. Daar is geen enkele kalender tegen opgewassen. Een agenda heb ik niet meer. Ik durf niet. Of beter gezegd: het heeft toch geen zin. Ik heb nog wensen, dat wel. Maar de belangrijkste nu is om er nog eens goed van te profiteren, samen met de hele familie.”

Of het nu genieten of vechten is, Christine doet het met volle overgave. Het is intussen twee jaar geleden dat ze voor het eerst de strijd aanbond met haar lijf. Borstkanker, zo klonk het plotsklaps. Een knobbeltje was nog niet eens te zien, wel een halve centimeter zuivere kanker. “Twee dagen heb ik toen geweend. Tranen met tuiten, ik hield niet op. Toen voelde ik al: ‘Christine, ge gaat u moeten herpakken. Ge gaat hier toch niet voor de rest van uw dagen zitten janken?’ Want het maakte mij alleen maar zieker, en mijn man alleen nerveuzer. (lachje) Toen heb ik de klik gemaakt: maak er het beste van, haal er het positieve uit.”

Christine:

Van de ene dag op de andere was ik onherstelbaar ziek. Ineens besefte ik: dit is een straatje met een einde, en ik zit er middenin.

Het zag er goed uit, vonden de artsen. Chemo of bestralingen hoefden niet, een operatie zou volstaan. “Ze vertelden me dat ik in de bovenste schuif zat, dat ik prima herstelde. Toen ik uit voorzorg ook mijn andere borst liet wegsnijden noemden ze me zelfs paranoïde. Maar ik kon niet anders, ik wilde elk risico op herval uitsluiten.”

In oktober vorig jaar, toen Christine een hoopje vermoeidheid was, stonden diezelfde artsen als aan de grond genageld, verstomd dat de kanker zo agressief was uitgezaaid. Naar de lever, de wervels, botten en klieren. Haar hele lichaam als broeihaard, behalve de hersenen. Haar kans op genezing: nul. Van de ene dag op de andere was ze palliatief. “Dat was een enorme shock. Hoe kon ik nu zomaar van die bovenste naar de onderste schuif zakken, zonder kans op herstel? Ineens besefte ik: dit is een straatje met een einde, en ik zit er middenin.”

Christine, 23 jaar.

Christine, 23 jaar.

Het duurde niet lang voor de gedachte haar bekroop: euthanasie, een mooie dood. De papieren invullen, de getuigen laten tekenen, haar eigen krabbel zetten. Het voelde als een ontlading. Christine: “Zolang ik die documenten niet op orde had, kon ik niet slapen. Nachten heb ik in mijn bed liggen woelen. Maar zodra het geregeld was, dacht ik: nu mag het komen.”

Christine: 

Ik wil niet eindigen met een pamper aan of oneindig veel draadjes aan mijn lijf. Mee beslissen wanneer het genoeg is geweest, dat is mijn grootste hoop

“Want dat is nu mijn enige wens: dat ik mooi afscheid kan nemen. Dat ze mij niet aan het lijntje houden als mijn leven niks meer van kwaliteit heeft. Zeg nu zelf: als het leven het niet meer waard is om te leven, waarom zou je dan nog rekken? Doodgaan op zich is niks, daar heb ik niet eens schrik voor. Veel banger ben ik voor de periode ervoor. Ik wil niet eindigen in een bed met een pamper aan, met oneindig veel draadjes en buisjes aan mijn lijf. Dat is zo beangstigend. Mee kunnen beslissen wanneer het genoeg is geweest, dat is mijn grootste hoop. Al is het natuurlijk niet eenvoudig. Want het is niet omdat je dat op voorhand op papier zet, dat het er effectief van komt.”

Zo is het maar net, als je een voorafgaande wilsverklaring opstelt. Want volgens de huidige wet is zo’n euthanasieverzoek enkel geldig in een beperkte situatie. Meer precies: ‘wanneer je niet meer bij bewustzijn bent en die toestand onomkeerbaar is’. Anders gezegd, als de patiënt in coma gaat. In alle andere gevallen van aftakeling geldt de wilsverklaring niet. Ook niet als je ernstig verward raakt, als je je familie niet langer herkent, of je niet meer kunt praten.

Hoog tijd voor een ruimere toepassing van de euthanasiewet, vinden artsen, ethici en juristen. Zij zwengelen daarom het debat aan over een uitbreiding van de wet voor wilsonbekwame volwassenen. Op een symposium aan de VUB, een initiatief van expertisecentrum Waardig Levenseinde, steken ze vandaag de koppen bijeen over een mogelijk wettelijk kader hiervoor.

Wim Distelmans (palliatief expert):

Het is niet omdat je de wet ruimer maakt dat er ineens een tsunami van euthanasie of misbruik dreigt

Kwam er in februari vorig jaar nog een uitbreiding van de wet voor euthanasie bij minderjarigen, dan is dit de volgende stap, schetst voorvechter en palliatief expert Wim Distelmans (UZ Brussel). “Het is de belangrijkste én dringendste uitbreiding die voor ons ligt. Niet alleen experts willen dit, de maatschappij vraagt hiernaar. Dit belangt iedereen aan die te maken krijgt met een aftakelend brein. Het gaat dus over veel meer dan enkel dementie. Denk ook aan mensen met aids, met een breintumor of het risico op uitzaaiingen naar de hersenen.”

“Krijg dat de mensen maar eens uitgelegd: dat ze alleen euthanasie kunnen krijgen als ze in coma gaan, ook al hebben ze hun papieren ruim van tevoren in orde gebracht. Velen schrikken ervan als ze horen dat het zo in mekaar zit. De meesten denken: ik heb mijn wilsverklaring netjes geregistreerd: zodra ik een plant word, kan de dokter mij om het even wanneer uit mijn lijden verlossen. Nee dus. En dat door één zinnetje in de wet.”

Dat ene zinnetje is het resultaat van een politiek compromis in 2002, uit angst de meerderheid op te blazen. Kwestie van de euthanasiewet er zeker doorgedrukt te krijgen, ook al ving de voorafgaande wilsverklaring tegenwind. Een toegeving met grote gevolgen. De euthanasiewet werd vooral symboolwet, zo blijkt. “Het maakt van de wilsverklaring een lege doos”, stellen kenners. “De toepassing ervan werd heel hard ingekrompen. Te hard.”

“En waarom eigenlijk?”, snuift Wim Distelmans. “Want het is niet omdat je de wet ruimer maakt dat er ineens een tsunami van euthanasie of misbruik dreigt. Artsen bieden nu al vaak weerstand als het over euthanasie gaat. Die weerspannigheid ga je echt niet wegnemen als je de wet uitbreidt.”

Maar stel: je bent ongeneeslijk ziek, lijdt ondraaglijk en dreigt een schim van jezelf te worden. Wat laat de wet vandaag dan wel al toe? Er zijn twee mogelijkheden, zo blijkt. Eén: zolang je bij volle verstand en dus wilsbekwaam bent, kun je een actueel of onmiddellijk verzoek tot euthanasie indienen. Dat gebeurt mondeling, en wordt daarna nog eens schriftelijk bevestigd. Denk aan schrijver Hugo Claus, die zo in 2008 kort voor zijn 79ste verjaardag zelf het moment van zijn dood koos. Omdat hij wist dat hij zou afglijden in dementie, en de wet het niet meer zou toestaan eenmaal zijn hoofd vertroebeld was.

Een tweede optie is om het voorafgaand euthanasieverzoek, dat dus enkel bij coma geldt, aan te dikken met een negatieve wilsverklaring. “Dat kan dan weer wel”, monkelt professor Distelmans. “Het geeft patiënten het recht om levensverlengende en -ondersteunende behandelingen te weigeren. Denk aan kunstmatige voeding, toediening van vocht of reanimatie. In tegenstelling tot een euthanasieverzoek is zo’n negatieve wilsverklaring wettelijk afdwingbaar. De arts kan dit niet zomaar naast zich neerleggen, dan gaat hij zwaar in de fout. Maar concreet betekent het: de patiënt is ongeneeslijk ziek, heeft een wilsverklaring, takelt af maar gaat niet in coma, en kan dus geen euthanasie krijgen. Wel moet de arts, als de patiënt dat heeft geëist, de sondevoeding schrappen. Wat krijg je dan? Een langdurig stervensproces, allesbehalve een elegante manier om te gaan. Hoe onmenselijk is dat?”

Christine:

Wat voor zin heeft het nog om je van alles te laten inpompen? Om de wetenschap te laten loos gaan op je lichaam?

Het levert vaak schrijnende situaties op, weten artsen. Patiënten zijn niet meer helder van geest, weigeren voeding, ontsteken in een agressie en worden noodgedwongen vastgeklonken aan hun bed. Veel licht schijnt er dan niet, aan het einde van de tunnel.

Je moet het Christine niet vertellen, wat je allemaal in de ziekenhuiswereld ziet. Haar zul je niks wijsmaken. Zo’n 35 jaar lang werkte ze als verpleegster, waarvan tien jaar op de dienst oncologie. “Ik heb ook wel met mijn ogen open gewerkt”, vertelt ze fel. “Al te vaak heb ik gezien wat ik zelf absoluut niet wil. Jarenlang heb ik ze verzorgd, de mensen met een pamper aan. Hun blik glazig en op oneindig. Wat heb je eraan om daar zo te liggen? Je hangt aan een draadje, te wachten tot het wordt doorgeknipt. Dat is zo’n schrikbeeld. Nee, dan neem ik liever zelf de schaar.”

Christine, 28 jaar, net bevallen van haar tweede dochter

Christine, 28 jaar, net bevallen van haar tweede dochter

Ze kan het niet genoeg herhalen: in het leven is het voor haar de kwaliteit die telt, niet de kwantiteit. “Wat voor zin heeft het om je nog van alles te laten inpompen? Om de wetenschap te laten loos gaan op je lichaam? Ik heb het duidelijk op papier gezet: ik wil niet op de dienst intensieve belanden, ik weiger reanimatie, en ze mogen geen chemo heropstarten gewoon om het te rekken. Want voor wie lig je daar anders nog? Niet voor jezelf, hoor. Wel voor je naasten, voor de omgeving. Omdat zij die gedachte willen koesteren dat jij er nog bent. Omdat zij je nog niet willen loslaten.”

Of ze niet wat te hard van stapel loopt, polst ze ineens, met een blik op het bandrecordertje tussen ons. Want ze weet dat ze er honderduit over kan praten: over haar ziekte, euthanasie en de dood. En, zo geeft ze toe, dan zou ze al eens vergeten hoe dat anderen beroert. Want zo is ze wel: in al haar sterkte de vrouw van de gevoelige snaar. Rechttoe rechtaan raakt ze iedereen. Praat je met haar, dan voel jij je de kleinste. Precies omdat zij erkent hoe nietig ze is.

“Afscheid heb ik al genomen”, gaat ze verder. “Ik leef in extra tijd, ik verwacht niks meer. Alles wat ik er nu nog bij krijg, is mijn geluk. ‘Waarom ik?’ Dat is een vraag die ik me nooit gesteld heb. Neem dag per dag, zei ik vroeger tegen mijn patiënten. Probeer niet over die berg te kijken, want dat maakt de tocht alleen maar lastiger. Doe het stap voor stap. Zo bekijk ik het nu zelf. Ik wilde het ook de dokters niet vragen, hoeveel tijd ik nog heb. Dat is onzinnig. Niemand heeft een glazen bol. We zijn allemaal uniek, iedereen reageert anders op de chemo.”

De eerste verwachtingen waren dat ze niet eens het begin van dit jaar zou halen. Het is een half mirakel dat ze hier nog zit. “Maar wat een cadeau, die extra tijd. Het is het schoonste wat ik kon wensen. Toch gaf die hele eindejaarsperiode een dubbel gevoel. Je mag nog zo sterk staan, onvermijdelijk besef je: dat gaat hier de laatste keer zijn. Ik moet daar realistisch in zijn: het einde van dit jaar haal ik niet.”

“Aan valse hoop heb ik geen boodschap. Dat doet je achteraf alleen maar dieper terugvallen. Ik probeer er ook mijn omgeving voor te waarschuwen: hoop niet te hard, mensen. Eind vorig jaar waren Willem en ik 35 jaar getrouwd. Ik heb het hem toen gezegd: dit is onze laatste huwelijksverjaardag. ‘Niks van’, zei hij. ‘Gij gaat nog niet dood, ge slaat er u wel door.’ Achteraf kwam het bij de huisarts ter sprake: ‘Je vrouw zal waarschijnlijk gelijk krijgen.’ Dus als we al mogen hopen, laat het dan vooral op dat mooie einde zijn.”

Herman Nys (medisch jurist KU Leuven):

Ik stel vast dat artsen op een gewetensvolle manier omspringen met euthansie. Dat heeft mijn wantrouwen doen wegebben

Wat we evenwel niet mogen vergeten – ook al klinkt het misschien hard – is dat er helemaal geen recht op euthanasie bestaat, signaleert medisch jurist Herman Nys (KU Leuven). “Wel heb je als patiënt het recht om ernaar te vragen, maar het blijft een beslissing van artsen. Daar moeten we onverminderd op toezien: dat we hun gewetensvrijheid blijven respecteren, dat artsen niet onder druk komen te staan.”

Nys, die een uiteenzetting geeft op het symposium, stond vroeger eerder argwanend tegenover de euthanasiewet. Maar in de loop der jaren stelde hij zijn visie bij. “In mijn omgeving heb ik een aantal dingen gezien die mijn kijk veranderd hebben”, licht hij toe. “Plus: ik stelde vast dat artsen er op een gewetensvolle manier mee omspringen. Dat heeft mijn wantrouwen doen wegebben.”

Zo ijverde Nys mee voor de wetsuitbreiding naar minderjarigen. Al is het dossier dat nu op tafel komt toch een ander paar mouwen, oppert hij. “Er zijn een aantal hete hangijzers, ook voor wie niet principieel tegen euthanasie is. Bij minderjarigen gaat het om een onmiddellijk verzoek tot euthanasie, uitsluitend van wilsbekwamen. Hier gaat het om een voorafgaande vraag van mensen die door hun ziekte wilsonbekwaam zijn geworden. De wet stelt dat je enkel levensbeëindigend kunt handelen op verzoek van de betrokken patiënt zelf. Zolang hij zijn wil kan uiten, is er dus geen probleem. Maar wat als hij dat niet meer kan? Uiteindelijk is het dan de arts die het tijdstip van de dood bepaalt. Hoe strijdig is dat met het persoonlijk verzoek?”

Ander heikel punt, zo stipt Nys aan, is de vraag: hoe formuleren we dit in de wet? Het zinnetje dat de patiënt ‘onomkeerbaar buiten bewustzijn’ moet zijn, moet eruit, daarover zijn experts het eens. Maar wat stel je dan in de plaats? Voor palliatief expert Wim Distelmans mag het zoiets worden als ‘niet meer in staat om te communiceren’ of ‘niet langer zelfbewust’. Volgens Nys is er vooral nood aan een medische maatstaf, een meer objectief criterium. “Sommigen stellen voor dat euthanasie zou moeten kunnen ‘als je je kinderen niet meer herkent’. Maar dat is een sociaal-psychologisch gegeven, dat is heel subjectief. Neurologen zouden een andere methode moeten uitwerken om zo vast te stellen of de patiënt al dan niet in aanmerking komt voor euthanasie. Hoe dan ook, we hebben nog veel stof tot nadenken.”

Dat ze haar pruik heeft opgedaan, om ons niet te laten schrikken aan de voordeur, vertelt Christine wat later. Want thuis loopt ze dikwijls rond zonder. “Voor mezelf moet ik ze niet opzetten, ik ben niet bang voor de spiegel. Laten we wel wezen: ik zou die pruik evengoed in volle centrum Kortrijk kunnen afdoen. Waarom zou ik mijn ziekte nog verbergen? Maar het is de maatschappij die alles zo graag wegsteekt, dat is jammer.”

Christine, 58 jaar, samen met haar man en kleinkindjes

Christine, 58 jaar, samen met haar man Willem en kleinkinderen

Ze vertelt het krachtig, met die typische rollende ‘r’ van haar, recht vanuit de huig. Een restantje van het Frans op school, indertijd in Congo. Warme klanken, die als een dekentje over je schouders slaan. En dat doet deugd als ze je even later weer eens kippenvel geeft. Als ze de beelden van die laatste familieshoot bovenhaalt, bijvoorbeeld. Daar staat ze dan: vrouw, mama van twee, mammie van vier. Als je niet beter weet, dan zou je denken dat ze blaakt van gezondheid. Maar het is blinken van trots. Niemand die zou geloven dat er onder dat blonde kapsel een kaal hoofd schuilt.

Voor het eerst worden haar ogen vochtiger, als ze de dozen openmaakt die ze voor haar kinderen en kleinkinderen heeft klaargezet. Dozen voor na de dood. “Ze moeten toch herinneringen hebben aan mij, niet? Ik heb er hun eerste tekeningen in gestoken, kleine spulletjes die we deelden. Met voor elk van hen een briefje van mij: dat ik ze toch wat langer had willen kennen. (stil) Weet je, je moet niet bang zijn voor de dood. Waarom zou je? Maar je wilt toch iets doen voor degenen die achterblijven.”

Botst ze na de chemo telkens weer tegen haar grenzen aan, “als een vod zo slap”, dan haalt ze op de goede dagen als deze het onderste uit de kan, vertelt ze. En dat betekent ook: heel gedreven die allerlaatste reis plannen. “Klinkt dat raar, dat ik mijn eigen begrafenis aan het regelen ben?”, vraagt ze, gevolgd door een opgewonden schaterlachje. “Er zijn er nog die het zeggen: allez Christine, hoe kunt gij dat? Ja, ik weet het ook niet.”

Christine:

Niks schrikt me zo af als een onpersoonlijke, grijze dood. Geen zwarte kleuren liefst, op mijn begrafenis. Er moet kleur in zitten, en muziek

Warm en koud tegelijk wordt het, als ze een kladje van haar doodsbrief op tafel legt. Samen met een handvol A4’tjes vol ideeën. “Niks schrikt me zo af als een onpersoonlijke, grijze dood. Geen zwarte kleren liefst. Er moet kleur in zitten. Met zonnebloemen rond de kist, of andere bloemen naargelang het seizoen. En muziek: trommelaars, fluitspelers. Ik had eerst een Afrikaanse band op het oog, maar ik wil het de kinderen nu ook niet te moeilijk maken. (lacht) Ook mooi: ‘Non, je ne regrette rien’ van Edith Piaf. Daar zou ik al heel blij mee zijn. Zolang het maar een happy end wordt. Tuurlijk, de mensen mogen triestig zijn en zitten snotteren. Maar het is wel míjn afscheid. Zie het als mijn laatste feest.”

Zolang er geen wetsuitbreiding is, zitten we vast in een systeem “dat sommige mensen dwingt om té vroeg te gaan”, besluit Wim Distelmans, verwijzend naar Hugo Claus. “Claus wist: het is ofwel overlijden bij volle verstand ofwel getroebleerd de coma afwachten. Hij koos voor dat eerste.” Medisch jurist Herman Nys vindt minder graten in dat scenario. “Akkoord, je offert misschien twee of drie levensjaren op. Maar het is, in afwachting van een bredere wet, een mogelijkheid die we nu misschien onvoldoende belichten. Tegenstanders spreken dikwijls van preventieve euthanasie, omdat je er vroeger uitstapt dan echt nodig. Maar doen we dat niet in alle gevallen van euthanasie? Daar draait het toch om: dat je de natuurlijke dood inhaalt.”

Of ze het ooit zelf zou overwegen, zo’n Hugo Clausscenario? Daar wil Christine nu nog niet te lang bij stilstaan. Eerst dat vliegtuig halen, om nog één keer voluit te gaan. Daarna zien we wel. “Alles hangt af van de diagnose, van de scans. Zal de kanker ook mijn hersenen aantasten of niet? Hoe dan ook, als ik mijn levenskwaliteit verlies en het te zwaar wordt om dragen, dan mag het stoppen voor mij. Niet twijfelen dan, maar vertrekken, zonder spijt.” Of zoals met die warme, rollende ‘r’. Non, je ne regrette rien.

In: De Morgen, 21 februari 2015

Written by Eline Delrue

21 februari 2015 at 11:11 am

Geplaatst in Interview, Portret

Draagmoeder Hanna: ‘Ik heb de klik gemaakt. Dit wordt hún kind’

leave a comment »


Verloopt alles naar wens, dan draagt Hanna (31) binnenkort een baby voor haar beste vriendin. De buik is er klaar voor, het hoofd ook. ‘Ik ben de baarmoeder in dit verhaal, niet de moeder.’

Draagmoeders

Eline Delrue

“Zodra de navelstreng doorgeknipt is, is zij de mama. Niet ik.” Hanna (*) vertelt het zonder aarzelen, zonder twijfel in de stem. Wil het lot een beetje mee, dan raakt ze weldra zwanger voor haar beste vriendin. Haar zielsverwant, met wie ze al jaren lief en leed deelt. “Zij is de enige voor wie ik dit ooit wil doen. Ik kan me niet voorstellen dat ik dit voor een onbekende doe. Er moet toch een klik zijn met de wensouders. Zij heeft al zo veel klaar gestaan voor mij, ik sta er nu voor haar. We delen verdriet, maar maken ook plezier. Dat is precies wat deze baby zal zijn: gedeelde vreugde. Dat extra streepje op de zwangerschapstest, dat wordt een onvergetelijk moment.”

Het is een genetische fout die hier als een vogelschrik op de ooievaar werkt. Geboren zonder eierstokken moest de wensmama op zoek naar een veilige baarmoeder, een kluis voor haar kinderwens. “Nadat ze mij de vraag had gesteld, heb ik er welgeteld één week over nagedacht”, vertelt Hanna. “Het eerste moment dacht ik: oei nee, ik weet niet of ik dat ga kunnen, dat kindje afstaan. Maar ik heb de klik snel gemaakt. Ik wist: ik kan haar gelukkig maken door het wel te doen. Het is het schoonste, ultieme cadeau dat ik haar kan geven.”

Vorig jaar probeerden ze het al eens op eigen houtje, met zelfinseminatie via een pipet. “Bij mijn eigen dochtertje was het van de eerste keer prijs. Ik ging er vanuit dat het ook nu weer vrij makkelijk zou gaan. Maar die poging is op niets uitgedraaid.”

Sindsdien loopt er in een van onze fertiliteitscentra een dossier voor Hanna en het wenskoppel, meteen ook de reden waarom ze haar echte naam liever niet in de krant ziet. Ethische comités zijn niet bepaald tuk op draagmoeders die openlijk hun verhaal doen.

Draagmoeder Hanna:

Dit is het schoonste, ultieme cadeau dat ik mijn vriendin kan geven

Hoe dan ook, als de baby later donkere ogen heeft, zullen het niet die van Hanna zijn. Deze keer werken ze met eicellen van een anonieme donor. “Op die manier is er geen enkele genetische band tussen mij en de baby, ik zal het enkel dragen.”

Dragen, om dan meteen weer los te laten. Klinkt heftig, maar ze voelt dat ze het kan, verzekert Hanna. “Het wordt hún kindje. Zo zit het nu in mijn hoofd en dat zal niet veranderen. Dat is belangrijk, denk ik, dat je als draagmoeder nog voor de verwekking die knop omdraait. Als je die klik nog moet maken op de verlostafel, kom je te laat. Dan heb je te veel een band opgebouwd met dat kindje.”

Dat het een win-winsituatie is, vertelt Hanna nog. “Zij willen een baby, en ik wil dolgraag nog eens zwanger zijn. Mijn vorige zwangerschap was nochtans allesbehalve plezierig. Ik was constant misselijk, klokje rond. Met de typische kwalen: zure oprispingen, vocht ophouden, bepaalde voeding moeten laten. Ik moet het dus niet gaan doen om op een roze wolk te gaan zitten. (lacht)

Mama wordt ze niet, meter wel. Het is de mooiste vergoeding die ze zich kan dromen, zegt ze, want centen hoeft ze niet. De buik is er klaar voor, het hoofd ook. Maar hoe leg je dat allemaal uit aan een nieuwsgierige peuterdochter in huis? Dat mama’s buik dik wordt, maar er geen broertje of zusje komt. Hooguit een speelkameraadje, dat wel. “Komen er vragen, dan zal ik die eerlijk beantwoorden”, stelt Hanna. “Ook mijn vriendin is niet van plan om haar kindje later iets voor te spiegelen. Er zullen vragen komen, ook nu in mijn omgeving. Want je loopt rond met een bolle buik, maar ze zien je niet met een kinderwagen passeren. Alleszins, ik ga niet rond de pot draaien. Ik ben de baarmoeder in dit verhaal, niet de moeder. Als mensen dat liever niet horen, dan is dat pech voor hen. Het is tenslotte mijn lichaam, en mijn keuze.”

(*) Om het lopende dossier niet in gevaar te brengen, kozen we voor een schuilnaam.

 

Draagmoeders: de wetgever staat erbij en kijkt ernaar

Draagmoeders die wensouders aan een baby helpen, het gebeurt en het neemt toe. Toch heeft ons land er nog altijd geen wet voor. Met een studiedag vuren de groene partijen het debat aan. Weldra steekt ook de senaat de koppen bij mekaar. ‘Die rechtsonzekerheid moet de wereld uit.’

Schrik niet, maar ‘baby’ Donna wordt er dit jaar tien. Ze moet het voorbije decennium zowat ’s lands meest besproken meisje zijn geweest: verwekt voor Belgische wensouders, maar door haar draagmoeder verkocht aan een Nederlands koppel dat meer centen bood. De hele zaak zette ethisch en juridisch België op zijn kop. Toch is er nu, tien jaar later, nog altijd geen wet. Commercieel draagmoederschap is strikt verboden, dat wel. Maar hoe het dan wel mag? Geen enkele wet die dat regelt.

Wat wensouders en draagmoeders ook op papier zetten, als een van beide partijen de afspraken schendt, heeft de ander geen poot om op te staan. Stel dat de draagmoeder het kind toch voor zichzelf wil houden, dan delft het wenskoppel het onderspit. Maar ook omgekeerd: haken de wensouders af omdat de baby een handicap heeft, dan moet de draagmama naar een andere oplossing op zoek.

Dat de theorie in een schemerzone zit, kan de praktijk niet tegenhouden. Fertiliteitscentra in Gent, Antwerpen, Brussel en Luik vervullen al jaren kinderwensen via ‘leenmoeders’. De jongste twintig jaar telde ons land minstens 150 draagbaby’s. Al moeten dat er veel meer zijn, stellen experts, want niet alle ziekenhuizen zijn hier even transparant over.

Komt daarbij dat niet alle wensouders via een erkend fertiliteitscentrum passeren. Denk aan wensouders die op eigen houtje aan de slag gaan met een draagmoeder. De vrouw bevrucht zichzelf met het zaad van de wenspapa. Dat kan perfect thuis, met een pipet dat ze bij de apotheek koopt. In dit geval heeft de draagmoeder een genetische band met het kind, want ze gebruikt haar eigen eicel. Laagtechnologisch draagmoederschap, heet dat in het jargon.

Bij hoogtechnologisch draagmoederschap, daarentegen, krijgt ze een embryo ingeplant via ivf. Hier gaat het dan om het zaad van de wensvader en een eicel van de wensmama of een anonieme donor. Bij deze techniek, die echt neerkomt op ‘het lenen van een baarmoeder’, delen draagmoeder en kind geen genen.

Petra De Sutter (fertiliteitsexpert UZ Gent en senator voor Groen):

Kan de draagmoeder zich na de bevalling nog bedenken en terugkrabbelen? Dat recht zomaar afnemen gaat mij te ver, maar het zijn vragen die we moeten stellen

Na de geboorte is het aan de draagmoeder om een procedure op te starten om de baby ter adoptie af te staan. Voor de wensouders volgt een adoptieparcours, zoals bij elke andere adoptie het geval is. Maar zolang die procedure loopt – en daar gaat makkelijk twee jaar over – blijft de draagmoeder ook de wettelijke moeder, zelfs al heeft ze geen genetische band met het kind. “Daardoor zitten veel wensouders lange tijd in een vacuüm van rechtsonzekerheid”, hekelt Petra De Sutter, vruchtbaarheidsexpert aan het UZ Gent en senator voor Groen. “En dat is onaanvaardbaar.”

Bovendien zal het draagmoederschap alleen maar toenemen, zeker nu er midden deze maand een binnenlandse adoptiestop is afgekondigd. Omdat de wachttijden tot meer dan vijftien jaar kunnen oplopen, weigert het Vlaams Centrum voor Adoptie nieuwe aanmeldingen. Het maakt de kans alleen maar groter dat onvruchtbare wensouders en homokoppels de weg van het draagmoederschap zullen inslaan.

En dus is het aan de politieke wereld om hier werk van te maken, zo dringen vruchtbaarheidsexperts, juristen en holebiverenigingen aan. Volgen er later op het jaar hoorzittingen in de senaat, dan luiden de groene partijen nu al de alarmbel, met een studiedag over de nood aan een wettelijk kader.

“Een ideale wet maken wordt niet eenvoudig”, voorspelt Petra De Sutter (Groen). “Want je moet toch een evenwicht vinden tussen de rechten van de wensouders en die van de draagmoeder. Beide partijen moeten worden beschermd. Het kan niet de bedoeling zijn dat we de draagmoeder gaan herleiden tot een huurbaarmoeder, een instrument. Kan de draagmoeder zich na de bevalling nog bedenken en terugkrabbelen? Dat recht zomaar afnemen gaat mij te ver, maar het zijn vragen die we moeten stellen. Dat debat moeten we voeren.”

Persoonlijk denkt De Sutter aan een contract dat niet-bindend is. “Een compromis dat op voorhand door de wensouders en draagmoeder vastgelegd wordt en dat al voor de zwangerschap bij de jeugdrechter op tafel komt. Op die manier kan de rechter zich al voor de geboorte over het dossier buigen en kun je de hele adoptieprocedure versnellen. Zo worden wensouders ook veel vlugger de juridische ouders.”

Tom Wijnant (jurist): 

Zoals het er nu voor staat dreigen kinderen in een onzekere, perverse situatie geboren te worden. En daar draait het hier toch om: het belang van het kind

Kan verregaander, vindt jurist Tom Wijnant. Al meteen na de bevalling, van bij de eerste schreeuw, zouden de wensouders ook op papier de ouders moeten zijn. Wijnant, pas afgestudeerd aan de UGent, haalde vorig jaar nog de shortlist van de Vlaamse Scriptieprijs met zijn proefschrift over draagmoederschap. Volgens hem moet het mogelijk zijn draagmoeders te verplichten hun kind af te staan. “Want welke meerwaarde heeft de wet anders? De bedenktijd die ze nu na de bevalling heeft, zou je kunnen verschuiven naar de eerste weken van de zwangerschap. Voelt ze zich niet klaar voor het draagmoederschap, dan moet ze, net als elke vrouw, voor abortus kunnen kiezen.”

Anders dan Petra De Sutter pleit Wijnant voor een contract dat wel bindend is. “Zo kunnen wensouders niet afhaken na de verwekking, ook al loopt hun relatie spaak of heeft het kindje gezondheidsproblemen. En kunnen draagmoeders niet terugkrabbelen na de geboorte. Want zoals het er nu voor staat, kunnen zowel draagmoeders als wensouders een bedenkelijke machtspositie innemen. Kinderen dreigen in een onzekere, perverse situatie geboren te worden. En daar draait het hier toch om: het belang van het kind.”

Komt er een wettelijk kader, dan moet dat allesomvattend zijn, meent Wijnant. “Dan moet je alles regelen, zowel het laag- als hoogtechnologisch draagmoederschap. Al heb ik vooral een voorkeur voor die laatste methode. Het lijkt me beter dat de eicel niet van de draagmoeder zelf komt, dat er geen genetische band is met het kind. Volgens mij vermijd je zo al een heleboel problemen, op sociaal en psychologisch vlak.”

Luc Delbeke (vruchtbaarheidsexpert UZ Antwerpen):

Wensouders zouden meteen na de geboorte ook de wettelijke ouders moeten zijn. Alleen zo kunnen we ons beter indekken tegen andere ‘baby Donna’-verhalen

Wensouders en draagmoeders die een fertiliteitscentrum inschakelen, tekenen nu al een document. Daarin zetten ze op papier wat te doen als er bijvoorbeeld een vruchtwaterpunctie nodig is of het kindje aan het syndroom van Down lijdt. Breken ze de zwangerschap dan af of niet? “Alleen: dat document zou veel meer moeten kunnen zijn dan een verbintenis zonder juridische waarde”, stelt fertiliteitsprofessor Luc Delbeke (UZ Antwerpen). Ook hij toont zich voorstander om wensouders meteen na de geboorte wettelijke ouders te laten zijn, en het bedenkrecht van de draagmoeder na de bevalling te schrappen. “Alleen zo kunnen we ons beter indekken tegen andere baby Donna-verhalen.”

Want voorkomen is nog altijd belangrijker dan genezen, stelt Delbeke. En dat kan alleen met een doorgedreven screening in de fertiliteitscentra. “Het komt er voor ons op aan om goed te anticiperen op mogelijke, latere conflicten. Voelen we dat er bij de wensouders en draagmoeder gemengde belangen spelen, dan is het aan de arts om te zeggen: laat ons op zoek gaan naar een andere draagmoeder. In het ideale scenario gaat het om een dicht familielid of goede vriendin.”

De screenings zijn streng, beaamt collega-gynaecoloog Petra De Sutter (UZ Gent). Van alle kandidaten wordt slechts een derde of een vierde effectief draagmoeder. Dat er zo veel vrouwen afvallen, gebeurt om verschillende redenen. “Ze zitten niet genoeg op dezelfde lijn als de wensouders, hebben geen zuivere motivatie, zijn psychisch onstabiel. Of puur medisch: ze hebben een te hoge bloeddruk of suikerspiegel.”

Petra De Sutter (UZ Gent en Groen):

Alleen mama’s kunnen draagmoeder worden. Het is belangrijk dat ze op voorhand weten hoe het voelt om zwanger te zijn, wat er door je hoofd gaat terwijl je bevalt

Opmerkelijk: ook vrouwen die nog geen mama zijn, mogen het vergeten om draagmoeder te worden. Ook daar hebben we zo onze redenen voor, licht De Sutter toe. “Eén: als arts moeten wij er zeker van zijn dat die vrouw medisch in staat is om veilig te bevallen, zonder complicaties. Hetzij natuurlijk, hetzij met een keizersnede. Twee: wat als het draagmoederschap verkeerd afloopt voor die dame? Stel: de baby komt goed en wel ter wereld, maar er doen zich complicaties voor waardoor we haar baarmoeder moeten wegnemen. Dan ontneem je die vrouw de kans om ooit nog een kind voor zichzelf te baren. Zoiets kun je niet riskeren. En drie: het is belangrijk dat draagmoeders op voorhand weten hoe het voelt om zwanger te zijn, wat de hormonen met je doen, en wat er door je hoofd gaat terwijl je bevalt.”

Want net daar, in de verloskamer, mag het niet spaak lopen tussen wensouders en draagmama. Net daar hebben beide partijen bescherming nodig. Of zoals Vlaams volksvertegenwoordiger Lorin Parys (N-VA) eerder optekende: “We moeten ervoor zorgen dat we niet op een ochtend wakker worden met een krantenkop over een kind dat de dupe is omdat de politiek erbij stond en ernaar keek.”

Verschenen in De Morgen, 30 januari 2015

‘Wachten om je kinderen te zien is de hel’

leave a comment »


NA DE VECHTSCHEIDING, DE BEZOEKKAMER

Vijf kinderen heeft Marjan. Na een vechtscheiding ziet ze drie van hen enkel in een bezoekruimte: anderhalf uur, onder begeleiding. Extra probleem: door de aanzwellende wachtlijsten duurde het onlangs een half jaar voor ze haar twee zonen en dochter weerzag. ‘Vaststellen dat je als moeder niet meer in hun leven past, dat doet onnoemelijk veel pijn.’

Verhaal bezoekruimtesEline Delrue

“Mijn hart bloedt telkens als ik mijn kinderen in die bezoekkamer zie, telkens als ik tegen die opgetrokken muur van stille woede bots. De mensen rondom mij waarschuwen me: ‘Marjan, hou ermee op. Je gaat hier helemaal aan ten onder.’ Maar als ik stop, geef ik me gewonnen. En dat wil ik niet, want dan zie ik mijn kinderen nooit meer.”

Het is ondertussen vier jaar geleden dat Marjan (39) thuis de benen nam. Na een bewogen relatie van meer dan tien jaar stond ze naar eigen zeggen voor de keuze: vrezen voor haar leven of weglopen. Ze koos de vlucht vooruit, met meer dan enkel blutsen en builen op het hart. Marjan: “Alleen, ik kon de kinderen niet direct meenemen. Zelf vond ik onderdak bij mijn nieuwe vriend, die ik nog tijdens mijn huwelijk had leren kennen. Maar zijn appartement was bijlange niet groot genoeg om vijf kinderen in onder te brengen.”

De echtscheiding leek toen nog niet eens op een vechtscheiding. Daar was Marjan te murw voor. “In drie maanden tijd was alles rond. Hij kreeg alles, ik niks. Et voilà. Als je bang bent, ga je daar niet tegenin. Dan knik je en ben je blij dat je al eens rustig kunt ademen. Die keukentafel of stoel kunnen je gestolen worden.”

Wat ze pas maanden later zou ontdekken, was dat ze samen met haar inboedel ook haar kinderen dreigde te verliezen. Want zelfs al had ze om de twee weken bezoekrecht, dat vonnis bleef steeds meer dode letter. Niet dat ze met alle kinderen strubbelingen had. Met haar oudste dochter (15), het kind van een andere papa, hokt ze sinds de scheiding gemoedelijk samen. Ook haar jongste zoon (5) komt er geregeld spelen, in de weekends of de vakanties. Maar met haar drie middelste bloedjes, twee zonen (12, 10) en een dochter (11), liep het fout. “Hoop en al drie keer zijn ze hier geweest”, schat Marjan. “Maar ze klapten helemaal dicht. Op den duur kreeg ik ze niet meer mee bij hun papa, iets wat hij ook niet bepaald stimuleerde. Wat kon ik doen? Je sleurt je kind toch niet bij de haren mee. Maar na een tijd dacht ik: ik pik dit niet. Ik wil en zal mijn kinderen zien.”

Lieve Van den Kerchove (CAW Oost-Vlaanderen):

Ik sta er soms van versteld hoe relatief rustig ouders blijven. Krijg dat maar eens te horen, dat je je kind de komende vijf, zes maanden niet gaat zien

Als ze terugdenkt aan het verslag van de justitie-assistente steekt ze een sigaret op, de eerste van vele. ‘Er is geen band meer tussen de moeder en de kinderen’, zo stond het daar op papier. “Wat kon ik daar in godsnaam tegenin brengen?”, blaast Marjan een rookwolk weg. “Ze hadden de kinderen een rollenspel laten doen. Bleek dat hun mama niet één keer in dat hele verhaal van tel was geweest. Meer zelfs: ging het over mij, dan had mijn jongste dochter niet eens op hun vragen willen antwoorden.”

Besluit van de experts: kwam er contact, dan mocht dat enkel via de bezoekruimte, een neutrale omgeving waar ouders en kinderen in een probleemscheiding elkaar kunnen ontmoeten. Maar voor ze haar moederlijke moed bijeen kon schrapen, zou Marjan geduld moeten oefenen. Bakken geduld. “Ik kwam op een wachtlijst van zes maanden terecht”, verzucht ze. “Een half jaar, zo lang zou het duren voor ik mijn kinderen weerzag. Zouden ze veranderd zijn?”

Het was onlangs een klein nieuwsje in de kranten. Acht van de elf Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW) zien de wachtlijsten voor hun bezoekruimtes alleen maar aandikken: van twee maanden tot een half jaar. Tijdens die periode is elk contact tussen ouder en kind onmogelijk. Het probleem leidde al tot een parlementaire vraag en staat ook aangestipt in het jaarverslag van de kinderrechtencommissaris.

“Eerlijk gezegd, ik sta er soms van versteld hoe relatief rustig ouders blijven”, zegt CAW-medewerkster Lieve Van den Kerchove, verantwoordelijke van de Oost-Vlaamse bezoekruimte Half-Rond. “Krijg dat maar eens te horen, dat je je kind de komende vijf, zes maanden niet gaat zien. Nadat je meestal ook al een slopende juridische procedure hebt meegemaakt.”

Advocaat Elfri De Neve (bemiddelaar in familiezaken):

Op een wachtlijst staan om je kind te mogen zien is de hel. Maar pas op, een bezoekruimte is de hemel niet. Als ouder zit je er nog altijd in het vagevuur

Doel van de bezoekruimte – denk aan een huiskamer met zetels, tafels en een speelhoek – is om stap voor stap tot een gewone omgangsregeling te komen. Gebroken gezinnen kunnen er een half tot anderhalf jaar terecht. “We hebben het hier over een tijdelijke, maar zeer ingrijpende vorm van hulpverlening”, duidt Van den Kerchove. “Vooral omdat er zelden een echte hulpvraag is. Want niemand van de betrokkenen wil hier zijn. Voor de kinderen is het vaak lastig. De ene ouder steigert al bij de gedachte dat er nog maar contact komt met die andere. En voor de mama of papa die hier op bezoek moet komen, voelt het dikwijls als een gevangenis. Die vraagt niks liever dan een normale omgangsregeling buiten onze vier muren.”

Voor veel rechters is de bezoekruimte dan ook de allerlaatste kaart. Alleen als elke andere vorm van bemiddeling op niets uitdraait, trekken ze hun joker. Vreemd genoeg maakt dat de wachttijden er alleen maar langer op. Van den Kerchove: “Probleem is: jeugdrechters weten dat wij met wachtlijsten zitten. Dat is al vanaf dag één zo. Precies omdat zij beseffen dat we onder druk staan, zijn ze strenger beginnen filteren. Alleen de zwaarste vechtscheidingen verwijzen ze nog door. Maar dat zijn net de ouders met wie we snel anderhalf jaar bezig zijn. En dat doet de wachttijd voor anderen weer oplopen. Soms zou je willen smeken: geef ons alsjeblieft nog eens een simpele conflictscheiding.”

Dat ze vooral de grote kwetsuren zien, klinkt het. “We krijgen hier mama’s en papa’s over de vloer die zo ontgoocheld zijn in hun relatie dat ze denken: ik moet mijn kind beschermen voor mijn ex, zowel emotioneel als fysiek.” Niet zelden gaat het over een vechtscheiding met een extra problematiek, zoals (valse) beschuldigingen van misbruik of mishandeling, of aanklachten over alcohol- en drugsgebruik.

Maar om welk dossier het ook gaat, al wie er van ver of dicht bij betrokken is, geeft het je op een blaadje: de bezoekkamer is een noodgreep en de wachttijden zijn een gesel. “Op een wachtlijst staan om je kind te mogen zien is de hel”, zegt advocaat Elfri De Neve, bemiddelaar in familiezaken. “Maar pas op, een bezoekruimte is de hemel niet. Als ouder zit je er nog altijd in het vagevuur.”

Mama Marjan: 

De kinderen komen binnen, drie brokken spanning op een rij, doen hun jas uit, kijken elkaar zwijgend aan en wachten af. Soms lijken ze te denken dat ik ervoor gekozen heb hen zo lang niet te zien

De eerste keer dat ze er naartoe reed was inderdaad met een klein hartje, beaamt Marjan. “Ik moet toen bijna een pak sigaretten opgerookt hebben in de auto, zo nerveus was ik. Een half jaar is lang. Nog een geluk dat ik mijn jongste zoon mee had, hun kleine broertje. Daardoor had ik een overbrugging naar de andere kinderen. Dat is mijn redding geweest, denk ik. Anders hadden we daar anderhalf uur samen gezeten en geen woord gezegd. Er kon zelfs geen ‘hallo mama’ van af. Ook nu nog moeten de begeleiders het contact op gang brengen. De kinderen komen binnen, drie brokken spanning op een rij, doen hun jas uit, kijken elkaar zwijgend aan en wachten af.”

“Vooral bij mijn jongste dochter stoot ik op een muur. Zij is nu zo’n beetje het moedertje bij papa thuis, de zorgende figuur. Ze laat er geen twijfel over bestaan: ‘Ik ben hier, maar ik wil hier niet zijn.’ Mijn oudste zoon is voor mij een schakel: hij blijft aanspreekbaar, zolang het oppervlakkig blijft. Misschien dat hij alles beter kan kaderen. Dat hij weet: mama is met een reden weggegaan.”

“Toch lijken ze alledrie te denken dat ik ervoor gekozen heb om hen zo lang niet te zien. Zij vinden: jij hebt ons in de steek gelaten, papa heeft verdriet, wij zorgen voor hem, maar kom jij nu alsjeblieft de rust niet verstoren. Met andere woorden: papa mag vooral niet het gevoel krijgen dat het voor hen weleens leuk zou kunnen zijn bij mama. Dat is hun angst, denk ik. Want mijn geluk is zijn ongeluk. Die gedachte is na al die tijd zo sterk met hen vergroeid, krijg dat maar eens goed.”

Hoe huiselijk de bezoekruimte er ook uitziet – met een keukentje om fruitpap te maken voor de allerjongsten – het blijft een onnatuurlijke omgeving, vindt Marjan. Drie keer zag ze er nu al haar kinderen terug, evenveel keer botste ze op een blok. Haar vlees en bloed in het verzet. Samen een gezelschapsspel spelen, dat wel. Maar babbelen, nee. “Ik verzeker je, dan voel je je zo klein”, toont Marjan, met haar wijsvinger en duim haast op elkaar gedrukt. “Misschien waren mijn verwachtingen ook te hoog. Want laten we wel wezen. Wat stelt dat voor, anderhalf uurtje? Eerst zitten de kinderen met hun hoofd nog volop in ‘papaland’. Zijn ze eindelijk een beetje geacclimatiseerd, dan is de tijd om.”

Ook al blijven de lippen er op mekaar geklemd, bij Marjan staan de ogen wijd open. Want elk beetje mama houdt haar gebroed graag in het vizier, toch? “Wat ik in de bezoekruimte vooral doe is waarnemen”, fluistert Marjan. Ze glimlacht erbij, alsof ze een zoete zonde heeft opgebiecht. “Kijken en nog eens kijken. Ik neem ze volledig in mij op. Hun bewegingen, hoe ze groot worden, hoe ze fysiek veranderen. Mijn oudste zoon krijgt al jeugdpuistjes, stel je voor. Mijn jongste dochter wordt een meid. Glimlachen ze eens, dan is dat zalig. Dan tank ik energie. Maar vragen ze voor de zoveelste keer hoelang dat bezoek hier nog gaat duren, dan schiet dat recht door je hart. Dan is het weer tanden bijten en slikken, terwijl je er vanbinnen kapot aan gaat. Want het is erg dubbel allemaal. Het doet deugd om te zien hoe ze een eigen persoontje worden, een eigen leven beginnen te leiden. Maar het doet onnoemelijk veel pijn om te zien dat ik daar niet meer in pas. Naar die sleutel moet ik op zoek.”

Lieve Van den Kerchove (CAW Oost-Vlaanderen):

Wij werken voortdurend in oorlogssituaties. We zien kinderen die heel zwaar onder druk staan, die volledig in de knoei zitten met hun loyaliteit

Kinderen en ouders die op slot zitten helpen om een brug te slaan naar mekaar, om het voor iedereen weer leefbaar te maken: dat is het ultieme doel van de bezoekruimte, stelt Lieve Van den Kerchove. “Want veel meer dan enkel het contact herstellen tussen ouder en kind, willen we hun relatie weer betrouwbaar en betekenisvol maken. Want wat als je puber in de bezoekruimte gewoon een uur lang een boek zit te lezen, zonder oogcontact te maken? Dan kun je bezwaarlijk van een betekenisvolle relatie spreken. Voor een ouder is dat bijzonder pijnlijk, zeker als je je kind nooit iets misdaan hebt. Maar de ervaring leert dat er hoop is. Ook al reageren kinderen tijdens de eerste bezoeken zo koeltjes, dat belet niet dat het tij kan keren. Als je zorg op maat biedt, met respect voor het tempo van het kind, kun je een bevroren situatie laten dooien.”

“Eigenlijk werken wij voortdurend in oorlogssituaties”, gaat Van den Kerchove verder. “In situaties die we stap voor stap moeten ontmijnen. Wij zien kinderen die heel zwaar onder druk staan, die volledig in de knoei zitten met hun loyaliteit. Doen ze voor de ene ouder goed, dan valt het bij de andere vaak verkeerd. Zo zien we kinderen die hier wel fijne momenten beleven met hun papa, maar die zowel voor als na het bezoek een gigantische scène maken bij hun mama: dat ze papa nooit meer willen zien, dat ze geen woord hebben gezegd. Kameleonkinderen noemen we hen. Zij vragen een zeer voorzichtige aanpak.”

“De tweespalt tussen hun ouders kan kinderen volledig van de wijs brengen. Sommigen worden er zelfs letterlijk ziek van. Zo hebben we ooit een vader moeten vragen om het contact met zijn dochter tijdelijk stop te zetten. Dat meisje moest nog maar iets over ‘papa’ horen of ze werd misselijk. Hij heeft haar dan een brief geschreven: dat hij zielsveel van haar houdt, dat hij haar graag wil ontmoeten, maar weet dat het nu niet gaat. Want daar draait het bij ons uiteindelijk om: wat is het beste in het belang van het kind? Of dat nu een baby of een puber is.”

Mama Marjan: 

Zelf wil ik niks liever dan mijn kinderen eens knuffelen, maar ze zijn er nog niet klaar voor. Het is ondertussen drie jaar geleden dat ik ze nog eens vastpakte. Mensenlief, wat een eeuwigheid

Geen jeugdpuistjes in de fotoboeken van Marjan. Daar worden de kinderen niet ouder. Hun leeftijd stokt waar haar huwelijk stopte. Als ze weer eens die drang voelt om te nesten haalt ze hun foto’s uit de kast, op moeders schoot. Ze neemt een trek en blaast wat mist voor haar ogen als ze erover vertelt. Dat ze zo graag zou bemoederen, maar niet eens kan moederen. Dat ze haar kinderen stuk voor stuk heeft gewild, ook al twijfelen ze daaraan. En dat het toch wel straf is, dat uitgerekend zij voor opvoedster studeerde. Wordt het haar bijna te veel, dan knaagt ze op haar onderlip. Emoties verbijten, ze is er tegen wil en dank een winnaar in geworden.

“Al die remmingen, die ingehouden affectie, het maakt me soms radeloos”, bekent Marjan. “En boos ook: verdorie, wat doe ik hier eigenlijk in die bezoekruimte? Waarom moet het zo moeilijk zijn? Zelf wil ik niks liever dan mijn kinderen eens vastpakken, door de haren strelen. Maar ik voel dat ze er nog niet klaar voor zijn. Een knuffel of een zoen, ze willen het niet. De begeleidster vertelde me dat ik zoiets niet kan forceren. Dat ik nu alleen maar met hen moet spelen. En dat doe ik ook. Voor hen ben ik iemand die mee een gezelschapsspel speelt. Meer niet. Een moeder voel ik me daar niet, die rol moet ik helemaal vanaf nul waarmaken. Wanneer ik mijn kindjes nog eens heb vastgepakt? Daar vraag je me wat. Dat moet ondertussen drie jaar geleden zijn. (stil) Mensenlief, wat een eeuwigheid.”

Ouders afgrenzen en confronteren: we doen het niet graag, maar het moet, vertelt Lieve Van den Kerchove. “Voor de eerste contacten bespreken we altijd met het kind wat het nodig heeft om de brug te slaan naar de ouder. Waar wil je dat de begeleider zit? Vind je het oké dat papa je knuffelt of een kus geeft? Wij begrijpen ook dat een ouder zijn kind toch wil vastpakken, zeker na al die tijd. Dat is niet meer dan menselijk. Maar dan is het wel aan ons om de grenzen van het kind te bewaken. Want wil je het vertrouwen herstellen, dan moet het gedrag van de ouder voorspelbaar blijven.”

Dat de verhalen vaak schrijnend zijn. En dat de strijd van iedereen is, klinkt het nog. Want probleemscheidingen kennen geen rang of stand. Alleen wordt er op een andere manier gestreden. Van den Kerchove: “Je hebt ex-partners die alles direct op tafel gooien, die het probleem onmiddellijk uitspreken. Bij hoogopgeleiden, daarentegen, wordt het gevecht vaak subtieler gevoerd. Dat maakt het voor ons ook moeilijker om aan de kern van het conflict te raken. Bovendien kunnen wij enkel hier ouders confronteren. Wij hebben geen vat op wat er zich thuis afspeelt. Als een mama de papa maandenlang afschildert als een monster, dan zuigt een kind dat op als een spons. Probeer dan maar meer nuance te krijgen in dat gevormde beeld.”

“Onderschat ook de hele dynamiek van een vechtscheiding niet”, besluit Van den Kerchove. “Die is zo krachtig. Wij hebben nog het voordeel dat we hier de twee klokken horen luiden. Maar voor andere betrokkenen – de school, de grootouders, zelfs hulpverleners – is het vaak erg moeilijk om niet meegezogen te worden in dat ene verhaal. Ook al hebben zij niks dan goede bedoelingen, soms gieten ze enkel olie op het vuur. Je merkt dan hoe ouders, vanuit hun eigen verdriet, de kinderen in stukken rijten. Je ziet het weleens aan de schoolpoort: ouders die elk aan één arm van zoon of dochter staan te trekken, omdat het ‘hun’ week is.”

Mama Marjan:

Ik blijf me in mijn dochter en zonen herkennen, zoiets slijt niet. Het blijven je kinderen, ook al tel je als moeder niet meer mee

Niet de moeder kunnen zijn die je wilt zijn, het is een groot gemis, vertelt Marjan. “En dat zie je in alles wat ik doe. Passeert er een kinderwagen, dan hang ik er gegarandeerd boven. Op zoek naar het koesteren, het moederen. De breuk met mijn jongste dochter is zo groot, ik weet niet of ik dat ooit nog goed krijg. Mijn oudste dochter hou ik daarom het liefst zo dicht mogelijk bij mij. Ze zal binnenkort beginnen puberen, maar ik wil mijn meisje niet verliezen.”

“En mijn jongste zoon, dat is mijn knuffelpaal, mijn steunpilaar. Wat ik bij de andere kinderen moet missen, maak ik goed met hem. Overladen met liefde noem ik dat, anderen noemen het weleens ‘betuttelen’. (glimlacht) Ik hoop vooral dat ik hem zal blijven zien, dat de oudere kinderen hem niet meetrekken in hun verhaal. Daar heb ik een heilige schrik voor, dat het bij hem ook zal beginnen borrelen.”

De weerslag van dit alles op haar kinderen, ook daar laat ze haar slaap weleens voor. “Want wat later?”, verzucht Marjan. “Hoe moeten zij ooit in een relatie stappen? Ze gaan denken dat het niet mogelijk is: twee mensen die elkaar graag zien, kinderen krijgen, en blijven overeenkomen. Ik weet dat de kinderen gefrustreerd zijn nu, dat voel ik. Ze hebben twee ouders nodig, net zoals iedereen. En nee, ik ben niet perfect, ik ben niet altijd een cadeau. Maar ik zie ze wel doodgraag. En ik blijf me in hen herkennen, zoiets slijt niet. Het blijven je kinderen, ook al tel je als moeder niet meer mee.”

(*) Wegens privacyredenen kozen we voor een schuilnaam

Uit: De Morgen, 24 januari 2015

Written by Eline Delrue

24 januari 2015 at 1:23 pm