Eline Delrue schrijft

Portretten en levensverhalen

Vrouwen over zelfverwonding: krassen op de ziel, en dan op het lijf

leave a comment »


Evelien (24) en Karen (37) snijden zichzelf. Elke dag opnieuw vechten ze tegen het mes, een strijd die ze soms verliezen. Ze herkennen zichzelf in het onthutsende boek Groter zal ik zijn, waarin de Nederlandse Sanne Janssen (24) over haar zelfverwonding vertelt. Nuchter, zonder veel dramatiek doen ze nu hun eigen verhaal. Over hoe krassen op de ziel littekens worden op het lijf. ‘Het bloed zien vloeien, dat is een zalig moment.’

Door Eline Delrue

Evelien (24): ‘Het moet goed pijn doen’

“Vlijmscherp, zo moet het voor mij. Een brandende sigaret uitduwen op mijn vel, dat zal ik nooit doen. Daar heb ik niks aan. Het moet goed pijn doen.” Voor naalden heeft ze een heilige schrik – “bloed zien trekken is vreselijk”. Een tongpiercing laten steken was een hel. Toch voert Evelien een dagelijkse strijd tegen die drang naar alles met scherpe randjes. Zuchtig naar zeer, naar die roes. Haar demonen bekampt ze met pijn.

Amper veertien was ze, toen ze voor het eerst haar heil zocht in het snijden. Het mes kwam er na misbruik. Evelien: “Mijn ouders stuurden me in de schoolvakantie altijd op taalkamp Frans. Ik vond dat wel plezierig: er hing een ongedwongen sfeer, ik amuseerde me. Tot dat ene jaar: ik was veertien en werd er misbruikt. Toen ik terug thuis kwam, was ik dezelfde niet meer. Plots zag iedereen me als een kwaad kind, met een vreselijk temperament. Aan de keukentafel volgde de ene ruzie de andere op. Ik voelde me onbegrepen, kreeg soms grove opmerkingen naar mijn hoofd geslingerd en ik kropte het misbruikverhaal op. Niemand mocht dit weten.

“In het begin teerde ik op pijn door mezelf uit te hongeren. Ik dacht: ik moet afvallen, ik mag er niet goed uitzien, ze moeten allemaal van mijn lijf blijven. Wat later verloor ik mezelf in zelfverwonding. Na elk conflict met mijn vader liep ik kwaad naar boven, smeet de deur van mijn kamer dicht, greep naar mijn cuttermes en begon eraan. In het begin merk je: wow, dit doet zeer. Maar geloof me, als je het doet om emotioneel leed af te drijven, dan voel je die fysieke pijn totaal niet meer.

Evelien:

Uit zelfhaat doe ik het, pure zelfhaat. Krassen als straf

“Ik zorgde er wel voor dat ik niet te diep kraste, dat het niet genaaid moest worden. Want die wonden verzorgen deed ik niet, daar had ik het materiaal niet voor. Ik moest dus wel opletten dat ik het niet te ver dreef. Ik deed het vlug, met korte en krachtige krassen na elkaar. Terwijl die zinnetjes zich als een plaat in mijn hoofd bleven herhalen: ‘Jullie begrijpen me niet – kras. Het is allemaal mijn fout – kras. Ik zou er beter niet zijn – kras. En nog eens, en nog eens. Zo bleef ik maar doorgaan. Zo werd ik rustig.

“Mijn ouders hebben me nooit betrapt, nee. Daar was ik te sluw voor. In die beginperiode was ik ook zo slim om me altijd op dezelfde plek te snijden, op mijn rechterpols. Bij elke woedeaanval reet ik diezelfde wonde weer open. Het resultaat verborg ik onder een polsbandje. Ook al moest ik me opkleden voor een feestje, ik deed dat polsbandje nooit af. Vriendinnen vroegen dan weleens: ‘Waarom draag je dat nu?’ Maar ik had altijd wel een uitleg klaar. ‘Sommigen dragen graag een juweeltje, wel ik vind een polsbandje leuk’, zei ik. Zo wuifde ik alles weg, en niemand die zag wat eronder schuilde.”

Tien jaar later beperken de littekens zich al lang niet meer tot haar pols. Haar rechterarm is een eeuwige tekening van tijdelijk gekerf. “Ik kras altijd op mijn rechterarm, omdat ik linkshandig ben. Dan kan ik mijn mesje zodanig schuin houden dat het goed snijdt”, duidt Evelien nuchter. “Op mijn linkerarm en mijn benen heb ik maar een paar keer gekrast. Ik wilde me toen volledig lelijk maken, zodat niemand me nog zou willen. Maar die littekens genazen verbazend snel.”

Het idee van zelfbeschadiging kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Evelien had zo haar voorbeelden: op school, maar ook binnen de familie. “Mijn tante, de zus van mijn moeder, deed het ook. We hadden een goeie band, hebben nog samen dezelfde therapie gevolgd, voor borderline. Ik keek sterk naar haar op, en heb blijkbaar ook die gewoonte van haar overgenomen. Zelf heb ik haar dat nooit opgebiecht. Ik heb er nochtans lang over getwijfeld, maar achteraf gezien ben ik blij dat ik het niet verteld heb. Omdat ik weet hoe moeilijk het is om andermans verhaal te horen. Zoals nu, met het boek van Sanne Janssen. Bepaalde passages heb ik moeten overslaan, want het wekte te veel op. Dan komt die drang weer naar boven om zelf te snijden. Op een gegeven moment heb ik het boek aan de kant gelegd en al mijn spullen verzameld waarmee ik me pijn kon doen. Die ben ik gaan afgeven aan de crisisverpleging.”

Evelien:

Als een shot heroïne voelt het. Zo verdoofd ben je. Maar die roes is soms snel uitgewerkt. Daardoor moet het meer, en dieper, en krachtiger

Evelien verblijft tegenwoordig in een psychiatrisch wooncentrum. Alleen op woensdagmiddag en in het weekend trekt ze naar haar eigen appartement, waar ze angstvallig binnen blijft. Haar tante is er niet meer, zij beroofde zich van het leven toen Evelien achttien was. Drie jaar later koos ook haar moeder voor zelfdoding. Met haar vader heeft ze gebroken. “Vorig jaar liet hij zich tijdens een sessie gezinstherapie ontvallen dat hij wist dat ik mezelf sneed. Dat maakte me zo razend. Waarom heeft hij dan nooit ingegrepen? Zag hij dan niet hoe diep de problemen zaten? Sindsdien wil ik geen contact meer met hem, ik kan niet meer. Ik ga kapot anders.”

Hoe schijn toch een meester-bedrieger kan zijn. Want vergis u niet, de vrouw die voor ons zit, ziet er allesbehalve een hoopje ellende uit, verre van. Een frisse verschijning zelfs, met kleur in de kleren. Iemand die het goed kan uitleggen ook. Al ziet ze dat zelf helemaal anders. ‘Uit zelfhaat doe ik het, pure zelfhaat. Krassen als straf.’ De afgelopen twee jaar ondernam Evelien ook een achttal zelfmoordpogingen. De afscheidsbrieven lagen telkens netjes klaar. Nu vindt ze steun bij de weinige vriendinnen die overgebleven zijn – “die zijn op één hand te tellen, en dan mag ik nog vingers kwijt zijn”. En bij haar grootvader, haar grootste kameraad. “Weet je: sinds vorig weekend vecht ik weer keihard tegen die drang om te krassen. Maar straks ga ik bij mijn opa schoonmaken. En dan wil ik niet met een verband rond mijn arm in het sop zitten. Zo gaat dat: ik moet altijd een excuus vinden om mezelf niét te krassen.”

Ook nu, op de instelling, valt ze nog geregeld ten prooi aan haar mesjes. “Soms zit ik hier met gebalde vuisten op mijn kamer, in een poging mezelf onder controle te houden. Alles wat scherp is, lijkt dan goed genoeg: een scheermesje, een kapotte spiegel, een tekendriehoek. Toen ik niet meteen iets vond, heb ik eens mijn lievelings-dvd aan diggelen geslagen. En maar krassen. Als het echt niet meer gaat, sturen ze je naar de gesloten afdeling. Maar zelfs daar heb ik al scherpe voorwerpen gevonden. Er zat een tegel los, in een hoekje van de kamer. Ik heb die losgepeuterd, wat brokken cement genomen en die goed doorgeduwd op mijn vel. Ach, zelfs al zouden ze hier alles uit je kamer wegnemen, vinden doe je altijd. Ik heb ook al eens een nagelknipper gebruikt. In plaats van te krassen, knipte ik hele lappen huid weg. Het moest pijn doen, het moest bloeden.

“En hoe meer bloed ik verlies, hoe beter. Want dat bloed zien vloeien, dat is een zalig moment. Ik heb het nog nooit geprobeerd, maar ik denk dat het aanvoelt als een shot heroïne. Zo verdoofd ben je. Maar die roes is soms snel uitgewerkt. Daardoor moet het meer, en dieper, en krachtiger. Als ik mezelf nu verwond, sta ik er eigenlijk niet bij stil dat het fataal kan aflopen. Het moet gewoon uit mijn lijf. Achteraf denk ik dan: het is gebeurd, alles is weer goed. Voor even toch.”

Na de beloning van de roes, komt de schaamte. Ook die is allesoverheersend. “Zeker als het bloeden niet vanzelf ophoudt en je naar de verpleging moet. Met papier in je mouwen, tegen de vlekken. Ja, dan kan ik wel door de grond zakken.”

Ook de littekens zijn “een teken van falen”. Daarom houdt ze ze nog steeds verborgen, ook voor haar vriendinnen en opa. “Zij gaan ervan uit dat ik opgenomen ben omdat ik niet over de dood van mijn moeder geraak. Ik zou het hen in principe wel mogen vertellen, maar de schaamte is te groot. Dat betekent: altijd lange mouwen, ook al is het buiten snikheet. Tuurlijk stellen mensen zich daar vragen bij. Maar ik verzin dan wel iets: ‘Ach, je weet toch dat ik het altijd koud heb.’ Ook al zit ik te smelten van de hitte en kun je verdrinken in mijn okselvijvers. (lachje)

Ze kan erover grappen, dat wel. Maar de littekens zullen altijd een hindernis blijven, vreest ze. “Een intieme relatie aanknopen is bijzonder moeilijk. Het schrikt me nog te veel af. Mijn krassen durven te tonen, dat zou een hele overwinning zijn. Nu redeneer ik al snel: mijn ware ik, met littekens, zal hij toch niet moeten hebben. Dat kan alleen maar een afknapper zijn, niet?”

Toch is dat wat ze wil: een relatie, een job, een normaal leven. Ooit moet het haar lukken. “Eerlijk gezegd, deze therapie is mijn laatste hoop. Vaak denk ik: als het hier niet lukt, mag het voor mij stoppen. Maar ik moet erin geloven. Huisje-tuintje-boompje, dat lijkt me wel wat. Maar het is moeilijk om die droom vast te houden als je met zoveel schaamte zit.”

 

 

Karen (37): ‘Het mes als pijnstiller’

“Heel stom is dat gegaan, hoe ik betrapt werd. Mijn moeder was op bezoek in mijn appartement. Ik had nog een afwas staan en wilde eraan beginnen. Zonder erbij na te denken stroopte ik mijn mouwen op. Et voilà, ik had mezelf verraden.” Daar stond ze dan. Anderhalf jaar had ze haar probleem verborgen kunnen houden. Nu lag haar geheim aan diggelen. Karen: “Mijn moeder schoot in een kramp, heel paniekerig. Ik las onbegrip in haar reactie, boosheid ook. ‘Karen, waar ben jij in godsnaam mee bezig? Waarom doe je dat?’ Probeer het dan maar eens uit te leggen, dat je opluchting voelt door jezelf te snijden. Geen zinnig mens die dat begrijpt.”

Denken we bij zelfverwonding haast automatisch aan getroebleerde tieners, dan was Karen al voorbij de twintig toen ze voor het eerst naar het mes greep. “Misschien omdat de controle dan al weggevallen was? Thuis en op de middelbare school zitten ze voortdurend op je vingers te kijken. Die remmende factor was er bij mij niet meer.”

Scherpte opzoeken om het leed te verzachten. Het waren de spanningen van haar hogere studie orthopedagogie die Karen ertoe dwongen. Stress was de grote boosdoener. Nog voor ze zichzelf in haar zelfverwonding verloor, moest ze afrekenen met een eetstoornis. Het label ‘borderline’ droeg ze al. “Op een bepaald moment was ik nog een schim van mezelf. Ik had het erg druk, want ik studeerde en werkte tegelijk, omdat ik mijn studies zelf moest bekostigen. In die periode ben ik zwaar over mijn grenzen gegaan. Ik was totaal op. Veel contact met medestudenten had ik niet. Ik was en ben nogal een eenzaat. Daardoor vond ik nergens een kanaal om die spanningen te ventileren.

“Tot ik me voor het eerst kraste, met een cuttermes. Ik merkte dat dit de uitlaatklep kon zijn die ik zocht. Emoties waar ik anders geen weg mee wist, kon ik zo afdrijven. Dat gaf me een zalig gevoel van opluchting. Het mes als pijnstiller, zoiets. Een Dafalgan, maar dan voor psychische pijn. Iets wat verdooft. Diep vanbinnen wist ik: Karen, dit is niet goed, dit is niet de juiste oplossing. Maar ik had geen alternatief.

Karen:

Ik kras telkens tot de spanning weg is. Snijden om het leven draaglijk te maken, dat is het

“Zodra je die eerste kras hebt gezet, besef je ook: niemand wil dit zien. Alsof er een gedragscode bestaat: bedekken en zwijgen. Ik sneed, rolde mijn mouwen naar beneden, en dacht: hier spreken we niet over. Het was puur van mezelf.”

Onlangs behaalde Karen een tweede diploma, verpleegkunde. Een hele prestatie, maar na vier weken op de werkvloer liep het helemaal fout. Opnieuw: te veel stress. De lat te hoog gelegd. Dat vervloekte perfectionisme alweer. Ze vond een minnaar in de fles, maar bleef ook naar het mes graaien. Armen, buik en borsten zijn gehavend.

“Het is iets waar ik de rest van mijn leven rekening mee zal moeten houden. Dat besef kwam er toen ik nog in het ziekenhuis werkte. Het was een warme septemberdag. Op de vergadering droegen alle mannen een T-shirt, bijna alle vrouwen een topje. Ik zat daar met een blouse tot aan mijn polsen. Korte mouwen draag ik alleen thuis. Nee, buitenshuis durf ik dat niet. Daar speelt schaamte in mee, maar ook schrik. Angst voor vragen. Want hoewel de psychiatrie al een hele weg heeft afgelegd, zijn er nog altijd taboes. Zelfbeschadiging is daar zeker één van.”

Karen: 

Jezelf beschadigen is verslavend. Na een tijd begin je ook bij minder hevige emoties te krassen

De voorraad mesjes op haar kamer stelt haar gerust. Weten dat het altijd kan. “Sigaretten uitbranden doe ik ook wel, maar soms voel ik echt een drang om te krassen. Het is een andere gewaarwording. De pijn van sigaretten houdt langer aan, het duurt ook veel langer voor het genezen is. Krassen is een korte pijn. Het maakt me niet uit wat ik op zo’n moment in handen heb, zolang het maar snijdt. Desnoods gooi ik een glas kapot of scheur ik een leeg Colablik middendoor.”

Spanning-stress-snijden, het is een vicieuze cirkel waar je niet zomaar uit raakt, weet Karen. “Het is ronduit verslavend. Na een tijd begin je ook bij minder hevige emoties te krassen. Er moet dan al geen sprake meer zijn van compleet controleverlies. Op den duur zou je je om het minste snijden, om toch maar die frustratie kwijt te raken. Neem nu iets onbenulligs als een wedstrijdje badminton. Als ik een paar keer naast dat pluimpje sla, begint die kwaadheid al op te borrelen. Dan wordt het al gevaarlijk voor mij. Nee, ik kan het gewoon niet verdragen als dingen mislukken. Elk gevoel van falen moet ik bestraffen.”

Snijden als straf, wanneer de zelfverwijten zich opstapelen en geen uitweg meer vinden. Karen: “Er zijn zoveel dingen in mijn leven fout gelopen. Relaties die stranden, vrienden die afhaken, problemen op het werk, een zware alcoholverslaving. Die kwaadheid tegenover mezelf loert voortdurend om de hoek. ‘Verdomme, waarom kun jij nu geen leven opbouwen zoals elk normaal mens’, vloek ik dan. Op zo’n moment groeit de nood aan een verse wonde. Het bloed zien vloeien brengt dan rust in mijn hoofd. Je voelt het psychische leed mee wegstromen. Tijdens die roes voel ik geen pijn, die komt pas achteraf. Dan zie je wat je aangericht hebt. Maar die pijn moet er zijn. Dan denk ik: laat het maar eens goed zeer doen, laat het maar een tijdje duren. Ik kras telkens tot de spanning weg is. Dan pas stop ik. Snijden om het leven draaglijk te maken, dat is het.”

Het lot was niet altijd lief voor haar. Onder haar mouw, op haar linkerpols, prijkt een tattoo. Een oranje zonnetje. Het staat symbool voor haar kinderwens, die tot nog toe onvervuld bleef. “Drie miskramen heb ik gehad. Het is een herinnering aan de kindjes die er niet mochten komen. Ik heb die tattoo bewust links laten zetten, de kortste weg naar het hart. (even stil) Ja, het is toch een beetje een rouwproces waar ik door moet. Die kinderwens is er nog, maar het ziet ernaar uit dat ik die zal moeten opbergen. Aan een relatie ben ik nu helemaal niet toe. En ik word er niet jonger op natuurlijk. Maar ook: kiezen voor een kind is een levenslange verantwoordelijkheid. Geen enkel probleem als ik in goede doen ben, maar wat als ik weer in een slechte periode sukkel? Daar kiest zo’n kind niet voor, toch?”

Die slechte tijden durven nog wel de kop opsteken. Met donkere gedachten, als spoken in haar hoofd. In het psychiatrisch zorgcentrum waar ze verblijft, moest Karen, net als iedereen, een contract tekenen: een belofte om geen suïcide te plegen. “Over zelfverwonding staat daar niks in. Dat wordt op zich niet verboden. Een goeie zaak, denk ik. Want zoiets onder contract verbieden, kan tegendraads werken. Het is een factor die de spanning juist weer kan opdrijven. Dat maakt de drang om te snijden als vanzelf weer groter. Zo geraak je nooit uit die cirkel.”

Toch is Karen vastberaden om ooit dat kringetje te doorbreken. Dat zal niet voor morgen zijn, voor overmorgen evenmin. “Maar ik hoop het snijden ooit achter mij te kunnen laten en andere kanalen te vinden om met stress om te gaan. Zodat ik een nieuw automatisme kan inbouwen: in plaats van te krassen, mijn jas aantrekken en een half uur gaan uitwaaien, bijvoorbeeld. Nu teer ik nog te veel op die pijn: ik móét iets voelen, om zo weer in de realiteit te komen. Daar moet ik van af.”

Info:

– Groter zal ik zijn, door Sanne Janssen, uitgegeven door Reality Bites, 288 blz., 14,95 euro.

– Voor altijd lange mouwen, door Arie Kievit en Sanne Janssen, uitgegeven door Reality Bites, 95 blz., 19,95 euro.

Uit: De Morgen, 29 februari 2012

Advertenties

Written by Eline Delrue

1 maart 2012 bij 11:30 am

Geplaatst in Interview, Portret

Tagged with ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: