Eline Delrue schrijft

Portretten en levensverhalen

Archive for januari 2015

Draagmoeder Hanna: ‘Ik heb de klik gemaakt. Dit wordt hún kind’

leave a comment »


Verloopt alles naar wens, dan draagt Hanna (31) binnenkort een baby voor haar beste vriendin. De buik is er klaar voor, het hoofd ook. ‘Ik ben de baarmoeder in dit verhaal, niet de moeder.’

Draagmoeders

Eline Delrue

“Zodra de navelstreng doorgeknipt is, is zij de mama. Niet ik.” Hanna (*) vertelt het zonder aarzelen, zonder twijfel in de stem. Wil het lot een beetje mee, dan raakt ze weldra zwanger voor haar beste vriendin. Haar zielsverwant, met wie ze al jaren lief en leed deelt. “Zij is de enige voor wie ik dit ooit wil doen. Ik kan me niet voorstellen dat ik dit voor een onbekende doe. Er moet toch een klik zijn met de wensouders. Zij heeft al zo veel klaar gestaan voor mij, ik sta er nu voor haar. We delen verdriet, maar maken ook plezier. Dat is precies wat deze baby zal zijn: gedeelde vreugde. Dat extra streepje op de zwangerschapstest, dat wordt een onvergetelijk moment.”

Het is een genetische fout die hier als een vogelschrik op de ooievaar werkt. Geboren zonder eierstokken moest de wensmama op zoek naar een veilige baarmoeder, een kluis voor haar kinderwens. “Nadat ze mij de vraag had gesteld, heb ik er welgeteld één week over nagedacht”, vertelt Hanna. “Het eerste moment dacht ik: oei nee, ik weet niet of ik dat ga kunnen, dat kindje afstaan. Maar ik heb de klik snel gemaakt. Ik wist: ik kan haar gelukkig maken door het wel te doen. Het is het schoonste, ultieme cadeau dat ik haar kan geven.”

Vorig jaar probeerden ze het al eens op eigen houtje, met zelfinseminatie via een pipet. “Bij mijn eigen dochtertje was het van de eerste keer prijs. Ik ging er vanuit dat het ook nu weer vrij makkelijk zou gaan. Maar die poging is op niets uitgedraaid.”

Sindsdien loopt er in een van onze fertiliteitscentra een dossier voor Hanna en het wenskoppel, meteen ook de reden waarom ze haar echte naam liever niet in de krant ziet. Ethische comités zijn niet bepaald tuk op draagmoeders die openlijk hun verhaal doen.

Draagmoeder Hanna:

Dit is het schoonste, ultieme cadeau dat ik mijn vriendin kan geven

Hoe dan ook, als de baby later donkere ogen heeft, zullen het niet die van Hanna zijn. Deze keer werken ze met eicellen van een anonieme donor. “Op die manier is er geen enkele genetische band tussen mij en de baby, ik zal het enkel dragen.”

Dragen, om dan meteen weer los te laten. Klinkt heftig, maar ze voelt dat ze het kan, verzekert Hanna. “Het wordt hún kindje. Zo zit het nu in mijn hoofd en dat zal niet veranderen. Dat is belangrijk, denk ik, dat je als draagmoeder nog voor de verwekking die knop omdraait. Als je die klik nog moet maken op de verlostafel, kom je te laat. Dan heb je te veel een band opgebouwd met dat kindje.”

Dat het een win-winsituatie is, vertelt Hanna nog. “Zij willen een baby, en ik wil dolgraag nog eens zwanger zijn. Mijn vorige zwangerschap was nochtans allesbehalve plezierig. Ik was constant misselijk, klokje rond. Met de typische kwalen: zure oprispingen, vocht ophouden, bepaalde voeding moeten laten. Ik moet het dus niet gaan doen om op een roze wolk te gaan zitten. (lacht)

Mama wordt ze niet, meter wel. Het is de mooiste vergoeding die ze zich kan dromen, zegt ze, want centen hoeft ze niet. De buik is er klaar voor, het hoofd ook. Maar hoe leg je dat allemaal uit aan een nieuwsgierige peuterdochter in huis? Dat mama’s buik dik wordt, maar er geen broertje of zusje komt. Hooguit een speelkameraadje, dat wel. “Komen er vragen, dan zal ik die eerlijk beantwoorden”, stelt Hanna. “Ook mijn vriendin is niet van plan om haar kindje later iets voor te spiegelen. Er zullen vragen komen, ook nu in mijn omgeving. Want je loopt rond met een bolle buik, maar ze zien je niet met een kinderwagen passeren. Alleszins, ik ga niet rond de pot draaien. Ik ben de baarmoeder in dit verhaal, niet de moeder. Als mensen dat liever niet horen, dan is dat pech voor hen. Het is tenslotte mijn lichaam, en mijn keuze.”

(*) Om het lopende dossier niet in gevaar te brengen, kozen we voor een schuilnaam.

 

Draagmoeders: de wetgever staat erbij en kijkt ernaar

Draagmoeders die wensouders aan een baby helpen, het gebeurt en het neemt toe. Toch heeft ons land er nog altijd geen wet voor. Met een studiedag vuren de groene partijen het debat aan. Weldra steekt ook de senaat de koppen bij mekaar. ‘Die rechtsonzekerheid moet de wereld uit.’

Schrik niet, maar ‘baby’ Donna wordt er dit jaar tien. Ze moet het voorbije decennium zowat ’s lands meest besproken meisje zijn geweest: verwekt voor Belgische wensouders, maar door haar draagmoeder verkocht aan een Nederlands koppel dat meer centen bood. De hele zaak zette ethisch en juridisch België op zijn kop. Toch is er nu, tien jaar later, nog altijd geen wet. Commercieel draagmoederschap is strikt verboden, dat wel. Maar hoe het dan wel mag? Geen enkele wet die dat regelt.

Wat wensouders en draagmoeders ook op papier zetten, als een van beide partijen de afspraken schendt, heeft de ander geen poot om op te staan. Stel dat de draagmoeder het kind toch voor zichzelf wil houden, dan delft het wenskoppel het onderspit. Maar ook omgekeerd: haken de wensouders af omdat de baby een handicap heeft, dan moet de draagmama naar een andere oplossing op zoek.

Dat de theorie in een schemerzone zit, kan de praktijk niet tegenhouden. Fertiliteitscentra in Gent, Antwerpen, Brussel en Luik vervullen al jaren kinderwensen via ‘leenmoeders’. De jongste twintig jaar telde ons land minstens 150 draagbaby’s. Al moeten dat er veel meer zijn, stellen experts, want niet alle ziekenhuizen zijn hier even transparant over.

Komt daarbij dat niet alle wensouders via een erkend fertiliteitscentrum passeren. Denk aan wensouders die op eigen houtje aan de slag gaan met een draagmoeder. De vrouw bevrucht zichzelf met het zaad van de wenspapa. Dat kan perfect thuis, met een pipet dat ze bij de apotheek koopt. In dit geval heeft de draagmoeder een genetische band met het kind, want ze gebruikt haar eigen eicel. Laagtechnologisch draagmoederschap, heet dat in het jargon.

Bij hoogtechnologisch draagmoederschap, daarentegen, krijgt ze een embryo ingeplant via ivf. Hier gaat het dan om het zaad van de wensvader en een eicel van de wensmama of een anonieme donor. Bij deze techniek, die echt neerkomt op ‘het lenen van een baarmoeder’, delen draagmoeder en kind geen genen.

Petra De Sutter (fertiliteitsexpert UZ Gent en senator voor Groen):

Kan de draagmoeder zich na de bevalling nog bedenken en terugkrabbelen? Dat recht zomaar afnemen gaat mij te ver, maar het zijn vragen die we moeten stellen

Na de geboorte is het aan de draagmoeder om een procedure op te starten om de baby ter adoptie af te staan. Voor de wensouders volgt een adoptieparcours, zoals bij elke andere adoptie het geval is. Maar zolang die procedure loopt – en daar gaat makkelijk twee jaar over – blijft de draagmoeder ook de wettelijke moeder, zelfs al heeft ze geen genetische band met het kind. “Daardoor zitten veel wensouders lange tijd in een vacuüm van rechtsonzekerheid”, hekelt Petra De Sutter, vruchtbaarheidsexpert aan het UZ Gent en senator voor Groen. “En dat is onaanvaardbaar.”

Bovendien zal het draagmoederschap alleen maar toenemen, zeker nu er midden deze maand een binnenlandse adoptiestop is afgekondigd. Omdat de wachttijden tot meer dan vijftien jaar kunnen oplopen, weigert het Vlaams Centrum voor Adoptie nieuwe aanmeldingen. Het maakt de kans alleen maar groter dat onvruchtbare wensouders en homokoppels de weg van het draagmoederschap zullen inslaan.

En dus is het aan de politieke wereld om hier werk van te maken, zo dringen vruchtbaarheidsexperts, juristen en holebiverenigingen aan. Volgen er later op het jaar hoorzittingen in de senaat, dan luiden de groene partijen nu al de alarmbel, met een studiedag over de nood aan een wettelijk kader.

“Een ideale wet maken wordt niet eenvoudig”, voorspelt Petra De Sutter (Groen). “Want je moet toch een evenwicht vinden tussen de rechten van de wensouders en die van de draagmoeder. Beide partijen moeten worden beschermd. Het kan niet de bedoeling zijn dat we de draagmoeder gaan herleiden tot een huurbaarmoeder, een instrument. Kan de draagmoeder zich na de bevalling nog bedenken en terugkrabbelen? Dat recht zomaar afnemen gaat mij te ver, maar het zijn vragen die we moeten stellen. Dat debat moeten we voeren.”

Persoonlijk denkt De Sutter aan een contract dat niet-bindend is. “Een compromis dat op voorhand door de wensouders en draagmoeder vastgelegd wordt en dat al voor de zwangerschap bij de jeugdrechter op tafel komt. Op die manier kan de rechter zich al voor de geboorte over het dossier buigen en kun je de hele adoptieprocedure versnellen. Zo worden wensouders ook veel vlugger de juridische ouders.”

Tom Wijnant (jurist): 

Zoals het er nu voor staat dreigen kinderen in een onzekere, perverse situatie geboren te worden. En daar draait het hier toch om: het belang van het kind

Kan verregaander, vindt jurist Tom Wijnant. Al meteen na de bevalling, van bij de eerste schreeuw, zouden de wensouders ook op papier de ouders moeten zijn. Wijnant, pas afgestudeerd aan de UGent, haalde vorig jaar nog de shortlist van de Vlaamse Scriptieprijs met zijn proefschrift over draagmoederschap. Volgens hem moet het mogelijk zijn draagmoeders te verplichten hun kind af te staan. “Want welke meerwaarde heeft de wet anders? De bedenktijd die ze nu na de bevalling heeft, zou je kunnen verschuiven naar de eerste weken van de zwangerschap. Voelt ze zich niet klaar voor het draagmoederschap, dan moet ze, net als elke vrouw, voor abortus kunnen kiezen.”

Anders dan Petra De Sutter pleit Wijnant voor een contract dat wel bindend is. “Zo kunnen wensouders niet afhaken na de verwekking, ook al loopt hun relatie spaak of heeft het kindje gezondheidsproblemen. En kunnen draagmoeders niet terugkrabbelen na de geboorte. Want zoals het er nu voor staat, kunnen zowel draagmoeders als wensouders een bedenkelijke machtspositie innemen. Kinderen dreigen in een onzekere, perverse situatie geboren te worden. En daar draait het hier toch om: het belang van het kind.”

Komt er een wettelijk kader, dan moet dat allesomvattend zijn, meent Wijnant. “Dan moet je alles regelen, zowel het laag- als hoogtechnologisch draagmoederschap. Al heb ik vooral een voorkeur voor die laatste methode. Het lijkt me beter dat de eicel niet van de draagmoeder zelf komt, dat er geen genetische band is met het kind. Volgens mij vermijd je zo al een heleboel problemen, op sociaal en psychologisch vlak.”

Luc Delbeke (vruchtbaarheidsexpert UZ Antwerpen):

Wensouders zouden meteen na de geboorte ook de wettelijke ouders moeten zijn. Alleen zo kunnen we ons beter indekken tegen andere ‘baby Donna’-verhalen

Wensouders en draagmoeders die een fertiliteitscentrum inschakelen, tekenen nu al een document. Daarin zetten ze op papier wat te doen als er bijvoorbeeld een vruchtwaterpunctie nodig is of het kindje aan het syndroom van Down lijdt. Breken ze de zwangerschap dan af of niet? “Alleen: dat document zou veel meer moeten kunnen zijn dan een verbintenis zonder juridische waarde”, stelt fertiliteitsprofessor Luc Delbeke (UZ Antwerpen). Ook hij toont zich voorstander om wensouders meteen na de geboorte wettelijke ouders te laten zijn, en het bedenkrecht van de draagmoeder na de bevalling te schrappen. “Alleen zo kunnen we ons beter indekken tegen andere baby Donna-verhalen.”

Want voorkomen is nog altijd belangrijker dan genezen, stelt Delbeke. En dat kan alleen met een doorgedreven screening in de fertiliteitscentra. “Het komt er voor ons op aan om goed te anticiperen op mogelijke, latere conflicten. Voelen we dat er bij de wensouders en draagmoeder gemengde belangen spelen, dan is het aan de arts om te zeggen: laat ons op zoek gaan naar een andere draagmoeder. In het ideale scenario gaat het om een dicht familielid of goede vriendin.”

De screenings zijn streng, beaamt collega-gynaecoloog Petra De Sutter (UZ Gent). Van alle kandidaten wordt slechts een derde of een vierde effectief draagmoeder. Dat er zo veel vrouwen afvallen, gebeurt om verschillende redenen. “Ze zitten niet genoeg op dezelfde lijn als de wensouders, hebben geen zuivere motivatie, zijn psychisch onstabiel. Of puur medisch: ze hebben een te hoge bloeddruk of suikerspiegel.”

Petra De Sutter (UZ Gent en Groen):

Alleen mama’s kunnen draagmoeder worden. Het is belangrijk dat ze op voorhand weten hoe het voelt om zwanger te zijn, wat er door je hoofd gaat terwijl je bevalt

Opmerkelijk: ook vrouwen die nog geen mama zijn, mogen het vergeten om draagmoeder te worden. Ook daar hebben we zo onze redenen voor, licht De Sutter toe. “Eén: als arts moeten wij er zeker van zijn dat die vrouw medisch in staat is om veilig te bevallen, zonder complicaties. Hetzij natuurlijk, hetzij met een keizersnede. Twee: wat als het draagmoederschap verkeerd afloopt voor die dame? Stel: de baby komt goed en wel ter wereld, maar er doen zich complicaties voor waardoor we haar baarmoeder moeten wegnemen. Dan ontneem je die vrouw de kans om ooit nog een kind voor zichzelf te baren. Zoiets kun je niet riskeren. En drie: het is belangrijk dat draagmoeders op voorhand weten hoe het voelt om zwanger te zijn, wat de hormonen met je doen, en wat er door je hoofd gaat terwijl je bevalt.”

Want net daar, in de verloskamer, mag het niet spaak lopen tussen wensouders en draagmama. Net daar hebben beide partijen bescherming nodig. Of zoals Vlaams volksvertegenwoordiger Lorin Parys (N-VA) eerder optekende: “We moeten ervoor zorgen dat we niet op een ochtend wakker worden met een krantenkop over een kind dat de dupe is omdat de politiek erbij stond en ernaar keek.”

Verschenen in De Morgen, 30 januari 2015

‘Wachten om je kinderen te zien is de hel’

leave a comment »


NA DE VECHTSCHEIDING, DE BEZOEKKAMER

Vijf kinderen heeft Marjan. Na een vechtscheiding ziet ze drie van hen enkel in een bezoekruimte: anderhalf uur, onder begeleiding. Extra probleem: door de aanzwellende wachtlijsten duurde het onlangs een half jaar voor ze haar twee zonen en dochter weerzag. ‘Vaststellen dat je als moeder niet meer in hun leven past, dat doet onnoemelijk veel pijn.’

Verhaal bezoekruimtesEline Delrue

“Mijn hart bloedt telkens als ik mijn kinderen in die bezoekkamer zie, telkens als ik tegen die opgetrokken muur van stille woede bots. De mensen rondom mij waarschuwen me: ‘Marjan, hou ermee op. Je gaat hier helemaal aan ten onder.’ Maar als ik stop, geef ik me gewonnen. En dat wil ik niet, want dan zie ik mijn kinderen nooit meer.”

Het is ondertussen vier jaar geleden dat Marjan (39) thuis de benen nam. Na een bewogen relatie van meer dan tien jaar stond ze naar eigen zeggen voor de keuze: vrezen voor haar leven of weglopen. Ze koos de vlucht vooruit, met meer dan enkel blutsen en builen op het hart. Marjan: “Alleen, ik kon de kinderen niet direct meenemen. Zelf vond ik onderdak bij mijn nieuwe vriend, die ik nog tijdens mijn huwelijk had leren kennen. Maar zijn appartement was bijlange niet groot genoeg om vijf kinderen in onder te brengen.”

De echtscheiding leek toen nog niet eens op een vechtscheiding. Daar was Marjan te murw voor. “In drie maanden tijd was alles rond. Hij kreeg alles, ik niks. Et voilà. Als je bang bent, ga je daar niet tegenin. Dan knik je en ben je blij dat je al eens rustig kunt ademen. Die keukentafel of stoel kunnen je gestolen worden.”

Wat ze pas maanden later zou ontdekken, was dat ze samen met haar inboedel ook haar kinderen dreigde te verliezen. Want zelfs al had ze om de twee weken bezoekrecht, dat vonnis bleef steeds meer dode letter. Niet dat ze met alle kinderen strubbelingen had. Met haar oudste dochter (15), het kind van een andere papa, hokt ze sinds de scheiding gemoedelijk samen. Ook haar jongste zoon (5) komt er geregeld spelen, in de weekends of de vakanties. Maar met haar drie middelste bloedjes, twee zonen (12, 10) en een dochter (11), liep het fout. “Hoop en al drie keer zijn ze hier geweest”, schat Marjan. “Maar ze klapten helemaal dicht. Op den duur kreeg ik ze niet meer mee bij hun papa, iets wat hij ook niet bepaald stimuleerde. Wat kon ik doen? Je sleurt je kind toch niet bij de haren mee. Maar na een tijd dacht ik: ik pik dit niet. Ik wil en zal mijn kinderen zien.”

Lieve Van den Kerchove (CAW Oost-Vlaanderen):

Ik sta er soms van versteld hoe relatief rustig ouders blijven. Krijg dat maar eens te horen, dat je je kind de komende vijf, zes maanden niet gaat zien

Als ze terugdenkt aan het verslag van de justitie-assistente steekt ze een sigaret op, de eerste van vele. ‘Er is geen band meer tussen de moeder en de kinderen’, zo stond het daar op papier. “Wat kon ik daar in godsnaam tegenin brengen?”, blaast Marjan een rookwolk weg. “Ze hadden de kinderen een rollenspel laten doen. Bleek dat hun mama niet één keer in dat hele verhaal van tel was geweest. Meer zelfs: ging het over mij, dan had mijn jongste dochter niet eens op hun vragen willen antwoorden.”

Besluit van de experts: kwam er contact, dan mocht dat enkel via de bezoekruimte, een neutrale omgeving waar ouders en kinderen in een probleemscheiding elkaar kunnen ontmoeten. Maar voor ze haar moederlijke moed bijeen kon schrapen, zou Marjan geduld moeten oefenen. Bakken geduld. “Ik kwam op een wachtlijst van zes maanden terecht”, verzucht ze. “Een half jaar, zo lang zou het duren voor ik mijn kinderen weerzag. Zouden ze veranderd zijn?”

Het was onlangs een klein nieuwsje in de kranten. Acht van de elf Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW) zien de wachtlijsten voor hun bezoekruimtes alleen maar aandikken: van twee maanden tot een half jaar. Tijdens die periode is elk contact tussen ouder en kind onmogelijk. Het probleem leidde al tot een parlementaire vraag en staat ook aangestipt in het jaarverslag van de kinderrechtencommissaris.

“Eerlijk gezegd, ik sta er soms van versteld hoe relatief rustig ouders blijven”, zegt CAW-medewerkster Lieve Van den Kerchove, verantwoordelijke van de Oost-Vlaamse bezoekruimte Half-Rond. “Krijg dat maar eens te horen, dat je je kind de komende vijf, zes maanden niet gaat zien. Nadat je meestal ook al een slopende juridische procedure hebt meegemaakt.”

Advocaat Elfri De Neve (bemiddelaar in familiezaken):

Op een wachtlijst staan om je kind te mogen zien is de hel. Maar pas op, een bezoekruimte is de hemel niet. Als ouder zit je er nog altijd in het vagevuur

Doel van de bezoekruimte – denk aan een huiskamer met zetels, tafels en een speelhoek – is om stap voor stap tot een gewone omgangsregeling te komen. Gebroken gezinnen kunnen er een half tot anderhalf jaar terecht. “We hebben het hier over een tijdelijke, maar zeer ingrijpende vorm van hulpverlening”, duidt Van den Kerchove. “Vooral omdat er zelden een echte hulpvraag is. Want niemand van de betrokkenen wil hier zijn. Voor de kinderen is het vaak lastig. De ene ouder steigert al bij de gedachte dat er nog maar contact komt met die andere. En voor de mama of papa die hier op bezoek moet komen, voelt het dikwijls als een gevangenis. Die vraagt niks liever dan een normale omgangsregeling buiten onze vier muren.”

Voor veel rechters is de bezoekruimte dan ook de allerlaatste kaart. Alleen als elke andere vorm van bemiddeling op niets uitdraait, trekken ze hun joker. Vreemd genoeg maakt dat de wachttijden er alleen maar langer op. Van den Kerchove: “Probleem is: jeugdrechters weten dat wij met wachtlijsten zitten. Dat is al vanaf dag één zo. Precies omdat zij beseffen dat we onder druk staan, zijn ze strenger beginnen filteren. Alleen de zwaarste vechtscheidingen verwijzen ze nog door. Maar dat zijn net de ouders met wie we snel anderhalf jaar bezig zijn. En dat doet de wachttijd voor anderen weer oplopen. Soms zou je willen smeken: geef ons alsjeblieft nog eens een simpele conflictscheiding.”

Dat ze vooral de grote kwetsuren zien, klinkt het. “We krijgen hier mama’s en papa’s over de vloer die zo ontgoocheld zijn in hun relatie dat ze denken: ik moet mijn kind beschermen voor mijn ex, zowel emotioneel als fysiek.” Niet zelden gaat het over een vechtscheiding met een extra problematiek, zoals (valse) beschuldigingen van misbruik of mishandeling, of aanklachten over alcohol- en drugsgebruik.

Maar om welk dossier het ook gaat, al wie er van ver of dicht bij betrokken is, geeft het je op een blaadje: de bezoekkamer is een noodgreep en de wachttijden zijn een gesel. “Op een wachtlijst staan om je kind te mogen zien is de hel”, zegt advocaat Elfri De Neve, bemiddelaar in familiezaken. “Maar pas op, een bezoekruimte is de hemel niet. Als ouder zit je er nog altijd in het vagevuur.”

Mama Marjan: 

De kinderen komen binnen, drie brokken spanning op een rij, doen hun jas uit, kijken elkaar zwijgend aan en wachten af. Soms lijken ze te denken dat ik ervoor gekozen heb hen zo lang niet te zien

De eerste keer dat ze er naartoe reed was inderdaad met een klein hartje, beaamt Marjan. “Ik moet toen bijna een pak sigaretten opgerookt hebben in de auto, zo nerveus was ik. Een half jaar is lang. Nog een geluk dat ik mijn jongste zoon mee had, hun kleine broertje. Daardoor had ik een overbrugging naar de andere kinderen. Dat is mijn redding geweest, denk ik. Anders hadden we daar anderhalf uur samen gezeten en geen woord gezegd. Er kon zelfs geen ‘hallo mama’ van af. Ook nu nog moeten de begeleiders het contact op gang brengen. De kinderen komen binnen, drie brokken spanning op een rij, doen hun jas uit, kijken elkaar zwijgend aan en wachten af.”

“Vooral bij mijn jongste dochter stoot ik op een muur. Zij is nu zo’n beetje het moedertje bij papa thuis, de zorgende figuur. Ze laat er geen twijfel over bestaan: ‘Ik ben hier, maar ik wil hier niet zijn.’ Mijn oudste zoon is voor mij een schakel: hij blijft aanspreekbaar, zolang het oppervlakkig blijft. Misschien dat hij alles beter kan kaderen. Dat hij weet: mama is met een reden weggegaan.”

“Toch lijken ze alledrie te denken dat ik ervoor gekozen heb om hen zo lang niet te zien. Zij vinden: jij hebt ons in de steek gelaten, papa heeft verdriet, wij zorgen voor hem, maar kom jij nu alsjeblieft de rust niet verstoren. Met andere woorden: papa mag vooral niet het gevoel krijgen dat het voor hen weleens leuk zou kunnen zijn bij mama. Dat is hun angst, denk ik. Want mijn geluk is zijn ongeluk. Die gedachte is na al die tijd zo sterk met hen vergroeid, krijg dat maar eens goed.”

Hoe huiselijk de bezoekruimte er ook uitziet – met een keukentje om fruitpap te maken voor de allerjongsten – het blijft een onnatuurlijke omgeving, vindt Marjan. Drie keer zag ze er nu al haar kinderen terug, evenveel keer botste ze op een blok. Haar vlees en bloed in het verzet. Samen een gezelschapsspel spelen, dat wel. Maar babbelen, nee. “Ik verzeker je, dan voel je je zo klein”, toont Marjan, met haar wijsvinger en duim haast op elkaar gedrukt. “Misschien waren mijn verwachtingen ook te hoog. Want laten we wel wezen. Wat stelt dat voor, anderhalf uurtje? Eerst zitten de kinderen met hun hoofd nog volop in ‘papaland’. Zijn ze eindelijk een beetje geacclimatiseerd, dan is de tijd om.”

Ook al blijven de lippen er op mekaar geklemd, bij Marjan staan de ogen wijd open. Want elk beetje mama houdt haar gebroed graag in het vizier, toch? “Wat ik in de bezoekruimte vooral doe is waarnemen”, fluistert Marjan. Ze glimlacht erbij, alsof ze een zoete zonde heeft opgebiecht. “Kijken en nog eens kijken. Ik neem ze volledig in mij op. Hun bewegingen, hoe ze groot worden, hoe ze fysiek veranderen. Mijn oudste zoon krijgt al jeugdpuistjes, stel je voor. Mijn jongste dochter wordt een meid. Glimlachen ze eens, dan is dat zalig. Dan tank ik energie. Maar vragen ze voor de zoveelste keer hoelang dat bezoek hier nog gaat duren, dan schiet dat recht door je hart. Dan is het weer tanden bijten en slikken, terwijl je er vanbinnen kapot aan gaat. Want het is erg dubbel allemaal. Het doet deugd om te zien hoe ze een eigen persoontje worden, een eigen leven beginnen te leiden. Maar het doet onnoemelijk veel pijn om te zien dat ik daar niet meer in pas. Naar die sleutel moet ik op zoek.”

Lieve Van den Kerchove (CAW Oost-Vlaanderen):

Wij werken voortdurend in oorlogssituaties. We zien kinderen die heel zwaar onder druk staan, die volledig in de knoei zitten met hun loyaliteit

Kinderen en ouders die op slot zitten helpen om een brug te slaan naar mekaar, om het voor iedereen weer leefbaar te maken: dat is het ultieme doel van de bezoekruimte, stelt Lieve Van den Kerchove. “Want veel meer dan enkel het contact herstellen tussen ouder en kind, willen we hun relatie weer betrouwbaar en betekenisvol maken. Want wat als je puber in de bezoekruimte gewoon een uur lang een boek zit te lezen, zonder oogcontact te maken? Dan kun je bezwaarlijk van een betekenisvolle relatie spreken. Voor een ouder is dat bijzonder pijnlijk, zeker als je je kind nooit iets misdaan hebt. Maar de ervaring leert dat er hoop is. Ook al reageren kinderen tijdens de eerste bezoeken zo koeltjes, dat belet niet dat het tij kan keren. Als je zorg op maat biedt, met respect voor het tempo van het kind, kun je een bevroren situatie laten dooien.”

“Eigenlijk werken wij voortdurend in oorlogssituaties”, gaat Van den Kerchove verder. “In situaties die we stap voor stap moeten ontmijnen. Wij zien kinderen die heel zwaar onder druk staan, die volledig in de knoei zitten met hun loyaliteit. Doen ze voor de ene ouder goed, dan valt het bij de andere vaak verkeerd. Zo zien we kinderen die hier wel fijne momenten beleven met hun papa, maar die zowel voor als na het bezoek een gigantische scène maken bij hun mama: dat ze papa nooit meer willen zien, dat ze geen woord hebben gezegd. Kameleonkinderen noemen we hen. Zij vragen een zeer voorzichtige aanpak.”

“De tweespalt tussen hun ouders kan kinderen volledig van de wijs brengen. Sommigen worden er zelfs letterlijk ziek van. Zo hebben we ooit een vader moeten vragen om het contact met zijn dochter tijdelijk stop te zetten. Dat meisje moest nog maar iets over ‘papa’ horen of ze werd misselijk. Hij heeft haar dan een brief geschreven: dat hij zielsveel van haar houdt, dat hij haar graag wil ontmoeten, maar weet dat het nu niet gaat. Want daar draait het bij ons uiteindelijk om: wat is het beste in het belang van het kind? Of dat nu een baby of een puber is.”

Mama Marjan: 

Zelf wil ik niks liever dan mijn kinderen eens knuffelen, maar ze zijn er nog niet klaar voor. Het is ondertussen drie jaar geleden dat ik ze nog eens vastpakte. Mensenlief, wat een eeuwigheid

Geen jeugdpuistjes in de fotoboeken van Marjan. Daar worden de kinderen niet ouder. Hun leeftijd stokt waar haar huwelijk stopte. Als ze weer eens die drang voelt om te nesten haalt ze hun foto’s uit de kast, op moeders schoot. Ze neemt een trek en blaast wat mist voor haar ogen als ze erover vertelt. Dat ze zo graag zou bemoederen, maar niet eens kan moederen. Dat ze haar kinderen stuk voor stuk heeft gewild, ook al twijfelen ze daaraan. En dat het toch wel straf is, dat uitgerekend zij voor opvoedster studeerde. Wordt het haar bijna te veel, dan knaagt ze op haar onderlip. Emoties verbijten, ze is er tegen wil en dank een winnaar in geworden.

“Al die remmingen, die ingehouden affectie, het maakt me soms radeloos”, bekent Marjan. “En boos ook: verdorie, wat doe ik hier eigenlijk in die bezoekruimte? Waarom moet het zo moeilijk zijn? Zelf wil ik niks liever dan mijn kinderen eens vastpakken, door de haren strelen. Maar ik voel dat ze er nog niet klaar voor zijn. Een knuffel of een zoen, ze willen het niet. De begeleidster vertelde me dat ik zoiets niet kan forceren. Dat ik nu alleen maar met hen moet spelen. En dat doe ik ook. Voor hen ben ik iemand die mee een gezelschapsspel speelt. Meer niet. Een moeder voel ik me daar niet, die rol moet ik helemaal vanaf nul waarmaken. Wanneer ik mijn kindjes nog eens heb vastgepakt? Daar vraag je me wat. Dat moet ondertussen drie jaar geleden zijn. (stil) Mensenlief, wat een eeuwigheid.”

Ouders afgrenzen en confronteren: we doen het niet graag, maar het moet, vertelt Lieve Van den Kerchove. “Voor de eerste contacten bespreken we altijd met het kind wat het nodig heeft om de brug te slaan naar de ouder. Waar wil je dat de begeleider zit? Vind je het oké dat papa je knuffelt of een kus geeft? Wij begrijpen ook dat een ouder zijn kind toch wil vastpakken, zeker na al die tijd. Dat is niet meer dan menselijk. Maar dan is het wel aan ons om de grenzen van het kind te bewaken. Want wil je het vertrouwen herstellen, dan moet het gedrag van de ouder voorspelbaar blijven.”

Dat de verhalen vaak schrijnend zijn. En dat de strijd van iedereen is, klinkt het nog. Want probleemscheidingen kennen geen rang of stand. Alleen wordt er op een andere manier gestreden. Van den Kerchove: “Je hebt ex-partners die alles direct op tafel gooien, die het probleem onmiddellijk uitspreken. Bij hoogopgeleiden, daarentegen, wordt het gevecht vaak subtieler gevoerd. Dat maakt het voor ons ook moeilijker om aan de kern van het conflict te raken. Bovendien kunnen wij enkel hier ouders confronteren. Wij hebben geen vat op wat er zich thuis afspeelt. Als een mama de papa maandenlang afschildert als een monster, dan zuigt een kind dat op als een spons. Probeer dan maar meer nuance te krijgen in dat gevormde beeld.”

“Onderschat ook de hele dynamiek van een vechtscheiding niet”, besluit Van den Kerchove. “Die is zo krachtig. Wij hebben nog het voordeel dat we hier de twee klokken horen luiden. Maar voor andere betrokkenen – de school, de grootouders, zelfs hulpverleners – is het vaak erg moeilijk om niet meegezogen te worden in dat ene verhaal. Ook al hebben zij niks dan goede bedoelingen, soms gieten ze enkel olie op het vuur. Je merkt dan hoe ouders, vanuit hun eigen verdriet, de kinderen in stukken rijten. Je ziet het weleens aan de schoolpoort: ouders die elk aan één arm van zoon of dochter staan te trekken, omdat het ‘hun’ week is.”

Mama Marjan:

Ik blijf me in mijn dochter en zonen herkennen, zoiets slijt niet. Het blijven je kinderen, ook al tel je als moeder niet meer mee

Niet de moeder kunnen zijn die je wilt zijn, het is een groot gemis, vertelt Marjan. “En dat zie je in alles wat ik doe. Passeert er een kinderwagen, dan hang ik er gegarandeerd boven. Op zoek naar het koesteren, het moederen. De breuk met mijn jongste dochter is zo groot, ik weet niet of ik dat ooit nog goed krijg. Mijn oudste dochter hou ik daarom het liefst zo dicht mogelijk bij mij. Ze zal binnenkort beginnen puberen, maar ik wil mijn meisje niet verliezen.”

“En mijn jongste zoon, dat is mijn knuffelpaal, mijn steunpilaar. Wat ik bij de andere kinderen moet missen, maak ik goed met hem. Overladen met liefde noem ik dat, anderen noemen het weleens ‘betuttelen’. (glimlacht) Ik hoop vooral dat ik hem zal blijven zien, dat de oudere kinderen hem niet meetrekken in hun verhaal. Daar heb ik een heilige schrik voor, dat het bij hem ook zal beginnen borrelen.”

De weerslag van dit alles op haar kinderen, ook daar laat ze haar slaap weleens voor. “Want wat later?”, verzucht Marjan. “Hoe moeten zij ooit in een relatie stappen? Ze gaan denken dat het niet mogelijk is: twee mensen die elkaar graag zien, kinderen krijgen, en blijven overeenkomen. Ik weet dat de kinderen gefrustreerd zijn nu, dat voel ik. Ze hebben twee ouders nodig, net zoals iedereen. En nee, ik ben niet perfect, ik ben niet altijd een cadeau. Maar ik zie ze wel doodgraag. En ik blijf me in hen herkennen, zoiets slijt niet. Het blijven je kinderen, ook al tel je als moeder niet meer mee.”

(*) Wegens privacyredenen kozen we voor een schuilnaam

Uit: De Morgen, 24 januari 2015

Written by Eline Delrue

24 januari 2015 at 1:23 pm