Eline Delrue schrijft

Portretten en levensverhalen

Archive for the ‘Reportage’ Category

Eline in Iran: het land waar niets mag en alles kan

with 3 comments


Overdag met een zedig hoofddoekje door de straten struinen, ’s avonds illegaal gestookte cognac zwelgen en aan de waterpijp lurken. Nergens lijken de contrasten zo extreem als in Iran. Buitenshuis en binnenshuis, religieus en niet-religieus, het zijn werelden van verschil. Welkom in Iran, het land waar alles verboden is, maar alles kan. Het land van de trage evolutie, niet de snelle revolutie.

“Wilt ge nu per se in uw ongeluk lopen?” Het is een sms’je van mijn vader, nadat ik hem juist het bericht heb gestuurd dat onze vliegtuigtickets naar Teheran geboekt zijn. Er volgen nog een resem sms’en: over onthoofding, steniging, nucleaire oorlog. En hij staat niet alleen in zijn bezorgdheid. Ook mijn moeder begint over bommen en aanslagen – verwart ze nu Iran met Irak? En sommige vrienden reageren alsof ze me nu helemaal nooit zullen terugzien. “Naar Iran? Je bedoelt: hét Iran?” Euhm, ja.

Gelukkig zijn daar, als de twijfel toeslaat, ook buitenlandjournalisten met prachtige verhalen over de Islamitische Republiek. Al wijzen ook zij mij op de strenge kledingvoorschriften: niet alleen een hoofddoek, maar ook een lange broek, met daarboven nog een – liefst vormeloos – hemd met lange mouwen dat ook het achterwerk afschermt. En zo komt het dat ik op een avond naar mijn kleerkast zit te staren als een konijn naar een lichtbak. Dus geef ik me over aan iets wat ik doorgaans mijd: de solden.

Niet alleen aan de kassa van de H&M wordt ons geduld op de proef gesteld. Drie keer moeten we op de Iraanse ambassade in Brussel een staaltje bureaucratie doorstaan alvorens Kafka ons een toeristenvisum overhandigt. Daar is zelfs een leugentje om bestwil aan te pas gekomen: voortaan ben ik lerares, want die perskaart kun je maar beter thuis laten. Eline Delrue, ook wel دلروه الینه voor de Perzische vrienden, is bovendien ‘getrouwd’. Willen Tim en ik één hotelkamer delen en ongestraft handjes houden, dan kunnen we maar beter geringeld zijn. En zo komt het dat we in het weekend voor onze afreis in allerijl een ‘trouwring’ inslaan.

Een jonge Iraanse vrouw:

Zeg alsjeblieft niet dat je het hier mooi vindt, wij zijn niet vrij. We hebben twee levens: binnenshuis en buiten. Op straat zijn we allemaal leugenaars.

We zijn nog maar op de luchthaven van Brussel als de islamitische kledingvoorschriften mij al bij de kraag grijpen. Reisleidster Sami vreest dat mijn hemd toch te kort is om straks Teheran binnen te stappen. En dus duikel ik snel een langer ruitjeshemd op uit mijn rugzak alvorens die op de bagageband te gooien. Oef. Want als ik dan al gestenigd moet worden, dan toch liefst op het einde van de reis.

Is mijn outfit bij aankomst in Iran nogal in elkaar geflanst, dan zie ik er de volgende dagen al iet of wat modieuzer uit. Zeggen ze. Ik voel me vooral verdrinken in zwangerschapskledij. En dan nog vertelt reisleider Nima mij dat ik eruitzie als een vrouw die niet akkoord gaat met de hijab, door mijn frou frou die vanonder mijn hoofddoek piept. Ha, de brave westerse frou frou wordt hier een teken van rebellie. Fijn!

We zijn niet de enigen die tegen heilige huisjes schoppen. Nima merkt het al snel op: zoals de meisjes er nu bij lopen, zo kon dat vijf jaar geleden absoluut niet. De kapsels zijn gedurfd, de kuiven reiken naar de hemel, en de hoofddoek – zo ver mogelijk naar achteren gedrapeerd – rust op een dotje. Wat gezien mag worden – het gezicht – wordt extra in de verf gezet. Letterlijk. De jonge fashionista’s zijn volgeplamuurd met schmink. De oogschaduw kun je amper schaduw noemen, de mascara tovert wimpers om in zwarte vaandels, en hun lippen knallen van het rood. En dan zwijgen we nog van de plastische chirurgie. Want de Iraniërs schuwen het schoonheidsmes niet. Ofwel hebben ze al een neuscorrectie ondergaan, ofwel sparen ze nog voor die gebeeldhouwde wipneus. Grappig: ook die laatsten lopen al te pronken met een pleister op de neus.

Het is vaak schroeiend heet en die hoofddoek is niet mijn beste vriend. Op de zevende dag schreeuw ik het uit in mijn dagboek: ik mis mijn kleerkast! En mijn vrijheid!

Als we in Teheran een moskee binnengaan – schoenen uit, gewaad aan – onderbreken de vrouwen prompt hun gebed om onder elkaar te beginnen fezelen. Van Sami horen we dat de vrome dames ons aan het bewieroken zijn. Ze vinden ons mooi en naturel, en klagen erover dat hun dochters al vanaf hun dertiende make-up smeren. Goed voor het zelfvertrouwen, die complimentjes. En het blijft niet bij één keer. Jonge westerlingen als wij worden in dit land op handen gedragen, op het gênante af. ‘We love you’, roepen automobilisten uitbundig, als waren de trottoirs rode lopers. ‘You’re all beautiful’, prevelen passanten. Minder grote talenknobbels houden het op een simpel ‘Thank you’. En de mannen van de groendienst zeggen het met een bloem, volgens Nima een teken van respect. Waw.

Wel vermoeiend zijn al die verstikkende regeltjes. Het is vaak schroeiend heet en die hoofddoek is niet mijn beste vriend. Wie haalde het ook in zijn hoofd om die afgeschafte sjaal in de jaren tachtig weer verplicht te maken? Bovendien heeft Tim er zijn schik in om mij ten gepaste tijde te vermanen: “Zeg, leg je hoofddoek eens goed.” Op de zevende dag, onze laatste dag in het fabuleuze Esfahan, schreeuw ik het uit in mijn dagboek: ik mis mijn kleerkast! En mijn vrijheid! Onvoorstelbaar wat vrouwen hier niet mogen: fietsen of op de brommer rijden (je zou wel eens een enkel kunnen ontbloten, heaven forbid), biljarten (wegens de suggestieve poses), roken in het openbaar (of je bent een halve hoer), menstrueren in de moskee (wegens niet halal). En gij zult de regels volgen, ondervinden we. Als bij de bakker mijn hoofddoek wegglijdt, voel ik meteen een berispende tik op mijn schouder. En wanneer reisgezellin Niek mij toesnelt om mijn voet te bestuderen die door een wegpiraat is geraakt, roepen omstanders haar toe dat haar hijab afgevallen is. Prioriteiten, iemand? Al bedoelen de Iraniërs het goed. Het enige wat ze willen, is ons behoeden voor de zedenpolitie.

Overal liggen ze op de loer, de mannen van goed gedrag en zeden. De fashionista’s hebben er een zesde zintuig voor. Maar vergis u niet: de opgetutte meisjes vormen slechts een kleurrijke minderheid. Het zijn nog altijd de vrouwen in zwarte chador (Perzisch gewaad dat het hele lichaam, behalve het gezicht, bedekt) die het straatbeeld domineren. Dertien in een dozijn, zo lijkt het. Alle vrouwelijke vormen onzichtbaar gemaakt, hun bewegingsvrijheid beknot, en elk beetje persoonlijkheid uitgegomd. Alhoewel. Verrukt ben ik als ik plots een paar pumps onder een chador zie. Vrouwelijk stout. In de parken liggen ze samen te ‘zonnen’, de chador tot over hun hoofd getrokken, als molshoopjes in het gras. Hen zien genieten is een genot. Een oudere dame wuift naar mij vanuit de bus. Ze zit verplicht achteraan, zoals alle vrouwen. Niet dat ze daar rouwig om zijn, hoor ik. Anders worden ze toch maar lastiggevallen. Dan ben je zogoed als onzichtbaar, word je nog geambeteerd door hitsig mannenvolk. Ik gruwel een beetje.

Binnenshuis wordt gezongen en gedanst, en de illegaal gestookte drank komt uit de kast. Nogal vreemd in een land waar alcohol verboden is, maar mijn eerste woordje Perzisch is ‘salamati’, oftewel santé.

Goed dat we het ongenoegen over het beleid ’s avonds kunnen doorspoelen. Binnenshuis, welteverstaan, waar alles kan. Geen Ahmadinejad – “hij is zo lelijk” – of Khamenei – “een regelrechte moordenaar” – die hier de pret kan drukken. De hoofddoeken mogen uit, de spaghettibandjes aan, er wordt gezongen en gedanst, en de illegaal gestookte drank komt uit de kast. Nogal vreemd in een land waar alcohol verboden is, maar mijn eerste woordje Perzisch is salamati, oftewel santé. Van een goeie fles cava blijft het dromen. Wel geproefd bij de locals: wijn (straffe druiven), grappa (alarm, ontsmettingsmiddel!), cognac (zware turf van een Armeense dealer) en wodka (in bidons). Met als obligaat dessert: een kauwgom. Kwestie van taxichauffeurs die in hoofdberoep politieagent zijn – we hadden het weer getroffen – om de tuin te leiden. Spannend. Maar ook triest.
“Leef maar eens dag in, dag uit in zo’n wereld”, zucht een jongedame. Ze heeft ons zopas gevraagd wat we van haar land vinden. Ons antwoord – dat de mensen supervriendelijk zijn en de architectuur fenomenaal – stemt haar niet gelukkig. “Zeg alsjeblieft niet dat je het hier mooi vindt, wij zijn niet vrij. (wijst op haar hoofddoek) Alle Iraniërs worden gedwongen om hypocriet te zijn. We hebben twee levens: binnenshuis en buiten. Op straat zijn we allemaal leugenaars.”
Ook een Armeense vrouw houdt ons staande. “You all smile and look so happy”, zegt ze. “We’re not happy.” Dat hakt erin.

Onze reis is halverwege als ik verschrikt vaststel dat ik gebrainwasht raak. Of laten we het erop houden dat mijn radar voor de zedenpolitie nog niet zo scherp afgesteld staat, wat al eens tot paniekreacties leidt. Onderweg naar het betoverende dorpje Abyaneh, bijvoorbeeld. De chauffeur van het taxibusje heeft ons toegelaten onze hoofddoekjes af te nemen. Want we zijn tenslotte westerlingen en de weg is zogoed als verlaten. Maar dan gebeurt er iets vreemds: wanneer ons busje onverwacht halt houdt aan een wagen met mannen erin, scherm ik – sneller dan mijn schaduw – mijn hoofd af met een boek. Want ik wil toch niet dat ze mijn haar zien, zeker. Om dan drie tellen later te denken: wat? Waarom doe ik dit in godsnaam? Nima is de enige die het opgemerkt heeft en ligt in een deuk.

Ook op de bus naar Shiraz is voorzichtigheid geboden. Ik zit in de Humo te bladeren, maar moet de cover – met een weinig verhullende Clara Cleymans erop – zoveel mogelijk zien te verdoezelen. Eenmaal op onze bestemming koop ik aan een kiosk een vrouwenblad. De moderne vrouw, luidt de titel, en een mens kan zich afvragen waarom. In het hele magazine staat welgeteld één vrouw, in chador. Verder: een foto van een geestelijke, een baby, naaipatronen en recepten. Zucht.

Universiteitsstudent Armin (21):

Iran is niet zomaar een ander land, dit is een andere planeet. Ik ben in het verkeerde land geboren, maar revolteren is onmogelijk. Je moet wel gehoorzamen hier.

In een van de piekfijn onderhouden parken van Shiraz ligt een theehuis, waar we kennismaken met Armin (21), een universiteitsstudent. Hij is jong en kort door de bocht. Elke vezel in zijn lijf haat Iran. “Ik voel me totaal geen Iraniër, ik wil niet meedoen met die bende hypocrieten hier”, fulmineert hij. “Dit is niet zomaar een ander land, dit is een andere planeet.” Hij is in het verkeerde land geboren, maar revolteren is onmogelijk. “Je moet wel gehoorzamen hier. In Iran zul je niet snel zulke opstanden krijgen als in de Arabische wereld. De mensen hier zijn te bang en vooral te verdeeld.” Over de kledingvoorschriften voor vrouwen is Armin bondig: “Onzinnig. Net als God. Wie gelooft daar nu in? Geloof jij daarin?”
Nieuwgierig als hij is naar het Westen, werpt Armin zich al snel op tot onze gids. Hij smult van onze verhalen, wij verslikken ons in de zijne. Jong zijn in Iran, het is geen pretje. Laat staan verliefd zijn. “Alles moet in het geniep gebeuren”, klaagt Armin. “Zit ik samen met mijn lief in het park, dan kan de politie zomaar naar haar ouders bellen om te checken of zij ervan op de hoogte zijn met wie hun dochter rondhangt. Stel dat ze van niks weten, dan word ik gearresteerd. Zelfs als ik mijn vriendin niet eens heb aangeraakt. Handjes houden is sowieso not done als je niet getrouwd bent. Zoenen is helemaal uit den boze. (kijkt naar Tim) Dus kus elkaar hier niet te veel in het openbaar. Daar worden de ongetrouwde koppeltjes jaloers van. (lacht een beetje groen)” Hoe de tortelduifjes het hier dan aanpakken? “In een verlaten steegje of achter een boom kun je al eens een kus stelen. Maar veel meisjes zijn daar te bang voor. They chicken out. (knipoogt) Ik niet. I wanna kiss them all.

De snikhete kust is er voor mij te veel aan. Was mijn hoofddoek tot nog toe een handig middeltje tegen een zonneslag, dan voelt hij hier als een strop. En stijgt het kwik, dan gaat ook mijn bloed sneller koken.

Enkele dagen later, in een theehuis aan de bazaar, ontmoeten we Mina (22), Sara (21) en Zahra (25). Ze zijn wat Armin noemt “modern religieus”, niet bepaald het type meisje waarmee hij normaal optrekt. Vooral Mina en Sara tonen geen plukje haar, iets waar Armin zich fel over opwindt. Maar zij verdienen toch evengoed respect, proberen we hem te temperen. “Oké, je hebt misschien gelijk”, aarzelt hij. “Thuis worden ze allicht gebrainwasht. Maar ze kunnen zich toch ook verzetten, of niet soms? Waarom houden ze het systeem mee in stand? Ik word daar zo kwaad van.” Iets rond 17 uur nemen de meisjes afscheid: ze moeten naar huis, voor het gebed. Ze schudden mij de hand. Armin slaan ze resoluut over, wegens verboden aan te raken. Reisgenoot Peter krijgt wel een hand van Sara en Zahra (hij is westers, het mag), maar niet van Mina (hij is een man, het mag niet). Ik begin het te snappen, die verdeeldheid, en hoe die elke revolutie in de kiem smoort. Beklemmend is dat.

De laatste stad die we bezoeken, het kustplaatsje Bushehr, is er voor mij te veel aan. De zee ruikt niet naar zee, maar naar olie. De loden hitte verlamt lijf en leden. Was mijn hoofddoek tot nog toe een handig middeltje tegen een zonneslag, dan voelt hij hier als een strop. En stijgt het kwik, dan gaat ook mijn bloed sneller koken. Een pijnlijke correlatie. Het begint me zwaar te vallen, deze reis. Raar hoe Iran van alles met je doet: het beklijft, verwondert, ergert, maakt opstandig. Mijn maag keert als ik zie dat vrouwen hier enkel mogen zwemmen in een aparte baai, gescheiden van de rest van de Perzische Golf door een muur in zee. Dit is de druppel.

Na een korte nacht, met een geslaagd afscheidsfeestje, gaat het richting luchthaven voor een vlucht terug naar Teheran. De luchthaven van Bushehr  heeft twee ingangen: links de mannen, rechts de vrouwen. De koffers belanden op dezelfde band, maar terwijl ik Tim zonder problemen zie doorstappen, word ik achter een gordijntje getrokken. Drie vrouwen staan klaar om ons te fouilleren. Gróndig te fouilleren. Even verdenk ik ze ervan dat ze onze westerse cupmaat aan het gissen zijn. Reisvriendin Sarah mag bovendien haar opgestroopte mouwen naar beneden rollen (dames, geen ellebogen tonen!). Ook Sami krijgt nog een sneer: als geboren Iraanse zou ze toch wel mogen weten dat haar hemd veel te kort is. “En steek dat haar onder je hoofddoek.”

Helemaal anders is de sfeer als we een etmaal later op de luchthaven van Teheran verwijlen. De laatste uurtjes met hoofddoek. Maar ook de laatste uurtjes in een prachtland, waar we tegelijk zo veel jongeren met hun frustraties achterlaten. Langer dan twee weken had ik het hier niet volgehouden, vrees ik. En toch ga ik het missen, Iran. Ooit keer ik terug. Maar nu eerst naar westerse bodem. Daar wacht mijn kleerkast. Daar wacht mijn vrijheid. En die frou frou zal nooit meer zo braaf zijn.

Een ingekorte versie van deze tekst verscheen in ‘De Morgen’ (13/8/2011).

Advertenties

Written by Eline Delrue

13 augustus 2011 at 7:35 am

Geplaatst in Reportage

‘We hebben ons al vaak afgevraagd: wat is er eigenlijk erger, voortdurend oorlog of hier leven zonder vrijheid?’

leave a comment »


Uit de ‘oude doos’: Het verhaal van een Iraaks asielzoekersgezin in Nederland. Putje winter of hartje zomer, de onwetendheid knaagt.

Pewan is een Iraakse jongen van negen. ‘Hij die de anderen overal naartoe volgt’, betekent zijn Koerdische naam. En dat dekt meteen zijn prille levensverhaal. Op 8 januari 2002 vluchtte hij – op teken van zijn vader – samen met zijn moeder, vier zussen en twee broers naar Nederland. Papa Adel zelf leefde er intussen al twee jaar in een asielcentrum en had na één jaar een verblijfsvergunning op zak. De rest van Pewans gezin wacht tot op vandaag nog altijd op dat begeerde papiertje, zonder resultaat.

Zaterdag 5 augustus 2007, hartje zomer. Het asielcentrum van Heerlen ligt er rustig bij. Allochtone kinderen uit verschillende contreien hollen achter een voetbal aan. Aan de kant geschoven driewielertjes wijzen op kleuters die wellicht een middagdutje doen. Vrouwen met hoofddoeken slaan een praatje terwijl ze hun tapijten uitkloppen.
Het lijkt een zonovergoten vakantietafereel, tot plots de eerste indruk van een gemoedelijk leventje achter witgekalkte muren plaats moet ruimen voor de schrijnende realiteit. De huisjes herbergen niet twee of drie mensen, maar vaak acht asielzoekers. Soms een voltallig gezin, soms een half dozijn ‘gelukzoekers’ uit evenveel verschillende landen. Tv-satellieten torenen boven de platte daken uit: dit staaltje techniek is voor velen de enige band die ze nog kunnen hebben met hun thuisland, hun enige vlucht naar de plaats waarvan ze ooit weggevlucht zijn.

De gevels dragen geen naamplaatjes, maar een letter en een cijfer. “Sommigen verblijven hier drie weken, anderen drie jaar. Het is een voortdurend komen en gaan, vandaar. Naambordjes zouden onbegonnen werk zijn”, klinkt het.
Een smalle trap leidt ons naar de woningen op de bovenverdieping. In huisje F5 maakt Pewans moeder de deur open. Blij met het bezoek, ietwat bang voor de vragen. De gastvrijheid die ons de volgende uren te beurt valt, is ronduit pakkend, het verhaal van de familie des te meer. Intussen vloeit de thee en rukken de suikerpotten aan. In een gezin waar “weinig suiker, graag” vier theelepels van het witte goedje betekent, lijkt de glazen pot wel het enige, letterlijke zoethoudertje in dit claustrofobische leven. Ook hier belemmert een satelliet het sowieso al magere uitzicht door het raam. Aan de muur een kalender die leest: ‘Pewan is jarig.’ De televisie speelt. Op KurdSat zingt een plaatselijke Frans Bauer een Koerdische schlager.

Kazjin (20):
Die onwetendheid of je ooit definitief zal mogen blijven, daar word je gestrest van, agressief soms. Als je er te veel over nadenkt, word je psychisch niet goed

Kazjin, Pewans zus van twintig jaar, voert het woord, in vloeiend Nederlands. Haar aardedonkere ogen schieten soms vuur, om even later waterig te worden. Nooit wordt haar blik glazig van onverschilligheid. Ze leeft op emotie. En wie kan het haar kwalijk nemen? “Nadat mijn vader in 2000 gevlucht was, werd mijn oudste broer opgepakt. We hebben nooit geweten wat er met hem gebeurd is, we hebben hem sinds die dag niet meer gehoord.”
Kazjin was zestien toen ze met de rest van het gezin haar vader achternaging. Hoe ze gevlucht zijn? “Daar weet ik bijna niks over”, zucht ze. “We zijn via Turkije gevlucht, maar zijn toen allemaal in slaap gevallen. We waren ook zo jong. We wisten alleen dat we ergens gedropt zouden worden in Europa. Dat bleek Nederland te zijn.”
Het leven in het asielcentrum is één brok onzekerheid, omschrijft ze. “Je wordt er gestrest van, agressief soms. Je weet niet of je ooit definitief zal mogen blijven. Je durft amper vrienden te maken op school uit angst ze ooit weer te moeten achterlaten. Op den duur neem je automatisch afstand van bepaalde mensen. Als je er te veel over nadenkt, word je psychisch niet goed.”
“Mijn moeder heeft het er nog altijd moeilijk mee als ze ziet hoe droevig we ons soms voelen. Ze vraagt zich vaak af of het wel de juiste keuze was om te vluchten. Maar wat moesten we doen? We kenden alleen maar oorlog. Eerst Saddam Hoessein, dan Bush. Maar ik heb het mezelf ook al afgevraagd: wat is er erger, voortdurend oorlog of hier leven zonder vrijheid? Ik ben nog nooit écht uitgegaan en het bezoek hier moet om 22 uur weg. Het lijkt wel alsof we dieren zijn, onderdanen. Ze plaatsen zich op een verhoog en wij zijn hun gevangenen.”
“Ik verlang zo naar bewegingsvrijheid, naar een toekomst hier. Intussen is ons gezin ook volledig aangepast aan dit land. Als wij ooit terug moeten naar Irak… Pewan kan zelfs geen Koerdisch. We hebben gewoon geen toekomst daar, daarom wil ik hier hard werken.”

Kazjin (20):
Mijn moeder heeft het er nog altijd moeilijk mee als ze ziet hoe droevig we ons soms voelen. Ze vraagt zich vaak af of het wel de juiste keuze was om te vluchten. Maar wat moesten we doen? We kenden alleen maar oorlog. Eerst Saddam Hoessein, dan Bush

Werken zonder verblijfsvergunning mag niet, dus bijt Kazjin zich vast in haar studies. “Niemand kan en mag me verbieden om te studeren. Ik volg net als mijn zus een opleiding in de zorgsector en wil daarna nog twee jaar verder studeren voor apothekersassistente.” Ze glundert, maar nog geen drie tellen later volgt er een zucht. “Toch is het niet gemakkelijk. Mijn vader werkt nu in een fruitbedrijf en spaart voor onze studies. Hij wil ook weleens op vakantie, maar dat kunnen we ons niet veroorloven.”

Of het haar nooit te benauwd wordt om zo dicht op elkaar te leven? “Dat valt wel mee. Dat is ook het verschil tussen een echte Nederlandse familie en de onze, denk ik. Wij zijn het gewoon om echt samen te leven. Een Nederlandse moeder kent soms haar eigen zoon niet meer. Nederlanders houden ook meer afstand tegenover hun buren.”
Wat koesteren ze eigenlijk uit Irak, willen we nog weten. Herinneringen? “Nee, dat niet. Als je het ergens niet naar je zin hebt, bewaar je er ook geen herinneringen aan.”
“Wat we misschien wel nog behouden, is het typische eten. Iraakse gerechten zoals dolma zijn veel lekkerder dan frieten en frikadellen, ook al eet Pewan die erg graag. Hij is al een echte Nederlander. (grijnst)

Een heerlijk zoete geur vult de leefkamer. De moeder des huizes heeft zich al die tijd op de vlakte gehouden, in de keuken. Kneden en kokkerellen als therapie, zo lijkt het. Op het menu: een stoofpotje van groenten en met fetakaas gevulde pannenkoeken. Aparte borden en bestek zijn niet nodig, gewoon gezellig aanschuiven.
“Voor Pewans verjaardag eten we straks nog taart”, knipoogt Kazjin naar haar broertje. Ballonnen en slingers zullen er niet aan te pas komen. “Versiering mogen we hier niet uithangen. Een kerstboom mag ook niet, trouwens. Maar het Suikerfeest hebben we met een kleine barbecue kunnen vieren. Dat was fijn. (loopt plots weg en komt terug met een boek over Schotland) Kijk, hier wil ik ooit naartoe. Ik heb er al veel boeken over gelezen en op school foto’s gezien van de landschappen. De meren, de natuur, de mensen, alles lijkt daar zo mooi. Dát is vrijheid.”

Written by Eline Delrue

1 december 2010 at 12:01 pm

Geplaatst in Reportage