Eline Delrue schrijft

Portretten en levensverhalen

Archive for the ‘Uncategorized’ Category

‘Ik maak weer een kans’

leave a comment »


IN HET SPOOR VAN ELAINE, OP NACONTROLE BIJ DE ONCOLOOG

De Stichting tegen Kanker hoopt in meer testamenten op te duiken. Met haar jongste campagne zet ze daarom de mooiste momenten van patiënten in de verf. Dit is het moment van Elaine. ‘Het duiveltje is naar achteren gedrongen.’

Eline Delrue

Foto: Jef Boes

Dat ze deze ochtend uitgebreid in bad is gegaan, vertelt Elaine (57). “Als reinigingsritueel.” Terwijl ze het zegt, danst haar lepel in haar kop koffie. Ze wilde nog even een frisse neus halen, op het buitenterrasje van het ziekenhuis. Straks wacht haar de controle bij de oncoloog, dat halfjaarlijkse moment van de waarheid. “Elke ochtend voor zo’n controle heb ik dat bad nodig: alsof ik mijn lichaam helemaal wil zuiveren. Zelfs al heb ik de avond ervoor mijn haar gewassen, dan zal ik dat ’s morgens gewoon opnieuw doen. Heel even alle ballast eraf. Om de angsten te verdrijven. Om er niet aan toe te geven. Want ergens zit het woordje ‘kanker’ constant in je hoofd te prikken. Dat is nooit ver weg.”

Ze voelde zich gepakt op haar sterkste plek toen ze in de zomer van 2012 de diagnose kreeg: baarmoederhalskanker. Elaine: “Kanker, dat had ik nooit aan mezelf gelinkt. En dan nog aan de baarmoeder. Ik, een moeder van vijf kinderen. Vijf vlotte bevallingen, het was iets om trots op te zijn. Niet dat ik vond dat ik boven die ziekte stond – ik had al twee goede vriendinnen moeten afgeven aan kanker. Maar ik heb altijd een nogal onverwoestbaar gestel gehad. Tot die kanker kwam.”

Toen veranderde alles, zweert ze. “Ik was al afscheid aan het nemen. Mijn hoofd schoot alle kanten uit. In één week tijd heb ik toen de hele kelder gesorteerd en acht grote vuilnisbakken buiten gezet. Ik had werkelijk alle kinderspullen bijgehouden: foto’s, schoolagenda’s, tekeningen, oude filmrolletjes. Ik wilde hen duidelijk maken dat mama enkel datgene had bewaard wat echt belangrijk was. En dus was ik orde beginnen te scheppen. Nu hebben ze alle vijf één doos vol gerief, vroeger hadden ze elk vier bananendozen vol.” (nerveus lachje)

Elaine:

Horen dat ik kankervrij ben: die bevestiging heb ik nu nog meer nodig dan vroeger. Stel je voor dat ik vlak voor de eindmeet alsnog word ingehaald. Daar heb ik schrik voor, ja.

Ze roert in haar mok, terwijl ze vertelt hoe drastisch de chemo en bestralingen in haar lijf binnenkwamen. Hoeveel er is vernietigd in de hoop te genezen. Het maakt dat ze ook sneller in paniek slaat, vertelt Elaine. “Krijg ik buikkrampen, dan denk ik: dat zal toch geen darmkanker zijn? Zie ik een nieuw vlekje op mijn vel, dan word ik al ongemakkelijk: stel dat het huidkanker is? Vroeger had ik die angsten niet. Dat is echt een groot verschil: het leven voor en na de kanker.”

Vijf jaar lang moeten kankerpatiënten op nacontrole: eerst om de drie maanden, daarna om het halfjaar. Voor Elaine is het nu het vierde jaar, nooit werd er een kankercel teruggevonden. Het maakt de stress er niet minder om – zie dat lepeltje maar rondjes draaien. “Die bevestiging – de kanker is weg – is nu nog meer dan vroeger nodig. Stel je voor dat je vlak voor de eindmeet alsnog wordt ingehaald. Daar ben ik bang voor, ja.”
Ze lacht een beetje vergoelijkend als ze eraan terugdenkt hoe ze gisterenavond, tijdens ons eerste telefoontje, al meteen zo’n “zwaar verhaal” neerzette. Rustig een boek lezen was er ook weer niet bij, zegt ze nog. Typisch aan de vooravond van zo’n Grote Controle. “Die afspraak bij de oncoloog legt zoveel gewicht op je, dan moet je wel op zoek naar afleiding. Iets op televisie volgen zit er dan niet in. Onmogelijk. Dan dwalen je gedachten toch weer af. Dus heb ik de kussens van de tuinstoelen zitten naaien. Met de hand, niet met de machine. Om het bewust steek per steek te moeten doen. Tweeënhalf uur lang.”
Die rusteloosheid zit er nog in als haar zus haar komt wegplukken van het terras: de oncoloog wacht, de koffie is koud.
Elaine verdwijnt in de dokterskamer, samen met haar zus. Fotograaf Jef Boes volgt. Voor het project Goed Nieuws, een samenwerking met de Stichting tegen Kanker, portretteert hij patiënten die op nacontrole gaan. Op hun ‘exacte moment’, het moment waarop ze te horen krijgen dat ze kankervrij zijn, of dat het de goede richting uitgaat. Op die manier wil de Stichting tegen Kanker ons het resultaat tonen van jarenlang wetenschappelijk onderzoek, en wat dat met een mens doet. Onderzoek dat alleen maar mogelijk is met de steun van het publiek, zo luidt het.

De oncoloog buigt naar voren. Dít is het moment, haar moment. De fotograaf drukt af en vat de glinster in Elaines oog. Een kwartier later wandelt ze naar buiten, op haar jeansbroek heeft ze twee natte plekken. “Kankervrij”, kreeg ze te horen. De tranen die ze nu uit haar ogen wrijft, zijn van opluchting.

Elaine:

Het is niet genoeg dat de dokter zegt dat je genezen bent. Je moet het ook zelf geloven en kunnen afsluiten in je hoofd. Daar ben ik nieuwsgierig naar: of ik dat ooit ga kunnen

 

“Ik maak weer een kans”, verzucht ze. “Dat gevoel heb ik nu. Het duiveltje in mijn hoofd is naar achteren gedrongen, zijn stemmetje is niet meer zo hoorbaar. Ik heb nieuwe energie om terug te slaan. Opgepompte moed om al die andere onderzoeken te ondergaan. Het wordt een straatje met een einde. Ongelooflijk.”

Haar ogen gloeien als kooltjes als ze het zegt: “Die krampen in mijn buik, die vlekjes op mijn huid: het zijn gevolgen van de bestraling, maar het is geen kanker. Je kunt je niet voorstellen wat voor een opluchting dat is.”

Wie weet wordt ze wel nog oma, zo zit ze even later weg te dromen, met haar handen om een verse kop koffie geslagen. “Het klinkt misschien belachelijk, maar ik hoop zo hard op rosse haartjes bij het nageslacht. (lacht uitbundig) Zelf wilde ik dolgraag een kind met rode haren. Maar nee hoor. Vier jongens en één meisje, allemaal zwart. O, wat heb ik nog veel om naar uit te kijken.”

Dat ze haar kelder voor niets heeft opgeruimd, giechelt ze nog, na een gulzige slok. En dat ze die bananendozen nu wel even uit haar hoofd mag zetten. Want waarom terugblikken als je weer vooruit durft te kijken? “Ai ai, Elaine”, roept ze zichzelf tot de orde. “Zoiets mag ik niet te veel denken. Ik mag nu niet berusten. Straks val ik nog door de mand. Kijk, zo gaat dat dus voortdurend met kanker.”

Haar koffie is op, haar jeansbroek droog. We ruilen het ziekenhuis in voor een zonnig terras enkele kilometers verderop. Mag wel, na zo’n ‘goed nieuws’, om het met de woorden van de Stichting tegen Kanker te zeggen. Voelde het ook zo voor haar, als een ‘exact moment’? Elaine aarzelt: “Eigenlijk moet ik dan weer een halfjaar verder kijken. Want dan komt er weer zo’n controle aan. Hét moment zal pas volgend jaar zijn, na vijf jaar, en op voorwaarde dat ik het zelf geloof. Want het is niet genoeg dat de dokter zegt dat je genezen bent. Je moet het ook geloven en hier kunnen afsluiten. (tikt op haar hoofd) Daar ben ik wel nieuwsgierig naar, of ik dat ooit ga kunnen.”

Uit De Morgen, 22 oktober 2016

Written by Eline Delrue

28 oktober 2016 at 1:20 pm

Geplaatst in Uncategorized

Alles voor je kind? Of eerder voor je genen?

leave a comment »


Een Frans koppel is overleden in de hete woestijn van New Mexico. Met hun laatste water konden ze hun zoon sparen. Je eigen vel redden of dat van je kind? Moeders zullen pas echt alles op alles zetten, zeggen experts. ‘Bij vaders speelt onbewust de twijfel mee: is het wel mijn kind? Daar kan geen DNA-test tegenop.’

Eline Delrue

© Illustratie: Nina Vandeweghe

© Illustratie: Nina Vandeweghe

Een tragische ontdekking in de woestijn van New Mexico, in het zuidwesten van de Verenigde Staten. Tijdens een routinecontrole in het nationaal park White Sands stootten opzichters op het levenloze lichaam van een Franse toeriste, Ornella Steiner. Op het fototoestel dat de vrouw bij zich had, waren beelden te zien van haar man en haar zoon. De rangers zetten hun tocht

verder, waarop ze even later ook de overleden vader, David Steiner, aantroffen. Vlak naast hem lag zijn zoon Enzo, negen jaar oud. Uitgedroogd, maar nog bij bewustzijn. Hij is intussen aan de beterhand, zo citeert Le Parisien zijn grootvader. Volgens diezelfde man hebben mama Ornella en papa David hun zoon gered, met het water dat ze bij zich droegen. “Ze hebben hun laatste restjes water aan Enzo gegeven.” Maar zelf stierven ze.

Mark Nelissen (gedragsbioloog):

In een fractie van een seconde ga je onbewust afwegen: wat is het beste scenario om mijn genen door te geven? Dat ik mezelf in leven hou, mijn kind laat sterven, en later een nieuw kindje maak? Of dat ik mezelf opoffer en mijn kind red, zodat hij of zij mijn genen kan verderzetten?

Je eigen vel redden of dat van je kind? Het is zelfs geen dilemma, meent gedragsbioloog Mark Nelissen, verbonden aan de Universiteit Antwerpen. “Het gaat puur af op instinct en past helemaal in een oeroud gedragsmechanisme: dat van de drang naar voortplanting. Het is universeel. Dier of mens: we willen nakomelingen én we willen die ook in leven houden. Anders komt het voortplantingsmechanisme in gevaar en worden onze genen niet doorgegeven. Kortom: als ouders willen we niet alleen kinderen, we willen ook kleinkinderen, achterkleinkinderen… Een hele keten van onze genen.”

Spring je met volle overgave voor die wegpiraat die je dochter gaat aanrijden? Ren je als een gek je brandende huis in als je zoontje boven ligt te slapen? Het zijn doemscenario’s die weleens in het ouderlijke hoofd durven te schieten. Maar als het moment daar echt is, dan gebeurt er iets waar we geen controle over hebben. Nelissen: “In een fractie van een seconde ga je onbewust afwegen: wat is nu het beste scenario om mijn genen door te geven? Eén: dat ik mezelf in leven hou, mijn kind laat sterven, en later een nieuw kindje maak? Of twee: dat ik mezelf opoffer en mijn kind red, zodat hij of zij mijn genen kan verderzetten?”

Net hetzelfde zie je bij dieren, gaat de professor verder. Neem nu een broedende steltloper. Stel, de moeder zit op haar nest en ziet ineens een vos naderen. Strompelend zal ze het nest verlaten, om alle aandacht weg te halen van haar kleintjes, zelfs al loopt ze zo zelf gevaar. Maar stel dat ze in dat nest gewoon zit te broeden, dat de eitjes nog niet open zijn. Geen sprake van dat ze haar eigen leven dan op het spel zal zetten. Dan denkt ze gewoon aan zichzelf, en aan haar latere kans op nieuwe eitjes.

Mark Nelissen:

Is het kind wel van míj? Die vraag doet bij alle papa’s onbewust een alarm afgaan. Daar kan geen DNA-test tegenop. Het klinkt keihard, maar daarom zullen ze nooit zo voluit gaan om hun kind te redden als de moeder

“We denken allemaal o zo graag dat we alles rationeel benaderen”, gaat Mark Nelissen verder. “Velen zullen opwerpen: ‘Dat Franse koppel deed het toch gewoon uit liefde voor hun kind?’ En dat klopt ook, maar wat betekent die ‘ouderliefde’? Dat komt juist neer op de inzet die je hebt om dat kind in leven te houden, om zo stukjes van jezelf door te geven.”

Opmerkelijk: vooral moeders zetten alles op alles om hun kroost te sparen. En dat houdt steek, vindt de gedragsbioloog. “Want alleen de moeders zijn 100 procent zeker dat het kind van hen is. Voor een mannetjesdier of papa is de twijfel nooit helemaal van de baan. Zelfs bij jonge vaders blijft dat in tijden van DNA-tests nog altijd onbewust door het hoofd spoken. Zelfs al staat er zwart op wit dat het kind van hem is, toch slaat zijn brein alarm. En het klinkt keihard, maar het is zo: de doorsnee vader zal daardoor nooit zo voluit gaan als de moeder.”

Het doet denken aan het voorval met een Canadese vrouw zes jaar geleden. Verschrikt zag ze toe hoe een vervaarlijke poema haar dochtertje van drie aanviel. Zonder twijfelen en met blote handen vloog ze het roofdier aan. Het beest schrok zo hard dat moeder en kind er met een paar schrammen vanaf kwamen. Nelissen: “Maar zet daar een heldhaftig man, en die zou dat nooit doen. ‘Het is zinloos’, zal die denken. ‘Dat red je nooit.’ Maar bij moeders is die drang om hun kind te redden bijzonder groot. Als een leeuwin.”

Manu Keirse (klinisch psycholoog):

Je kind redden omdat jij het in die noodsituatie hebt gebracht: dat is niet alleen biologisch normaal, maar ook sociaal, mentaal en emotioneel. Kinderen zijn in het beste geval het product van liefde. En die liefde speelt hier hard mee

Gynaecologen zien het al van bij de kinderwens, hoe ingebakken het zit om nakomelingen te hoeden en behoeden. Maar, zo schrijft hun deontologische code voor, het leven van de vrouw staat altijd voorop op dat van het ongeboren kind. Ter info: van een ‘ongeboren kind’ is pas sprake na 25 weken zwangerschap, als de foetus in principe levensvatbaar is. “Als we de moeder kunnen redden, zullen we dat doen, ook als daardoor de foetus in gevaar komt”, duidt gynaecologe Petra De Sutter (UZ Gent). “In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij kanker, kun je beide proberen te redden. Door de foetus iets vroeger dan normaal ter wereld te brengen, en de vrouw sneller met chemo te laten starten.”

Het zijn verhalen die met de regelmaat van de klok de media halen: zwangere maar zieke vrouwen die een behandeling uitstellen tot na de bevalling, om zo hun kind te sparen. Soms ten koste van hun eigen leven. Maar het omgekeerde bestaat ook, vult professor Nelissen aan. “Denk aan het chiromeisje, jaren terug, dat haar baby vermoordde. Je ziet het nog weleens bij tienermeisjes, en het is perfect biologisch te verklaren. Onbewust maken ze de balans: ik ben nog te jong, heb geen partner, ik kan dit kind nu niet grootbrengen. Plus: deze baby verkleint mijn kansen op een echt gezin, op een later kind om mijn genen door te spelen. IJskoud lijkt het, maar dat is het verhaal erachter.”

Dan klinkt het relaas van het Franse koppel en hun zoontje bijna hartverwarmend, hoe triest ook. ‘Waar zijn we in godsnaam in terechtgekomen?’, moeten ze hebben gedacht. Maar ook, zo vertelt klinisch psycholoog Manu Keirse: “‘Waar hebben we onze jongen in meegesleurd?’ Dat zij hem met hun laatste druppels vocht wilden redden, is niet alleen biologisch normaal, maar ook sociaal, mentaal en emotioneel. Kinderen zijn niet meer de handige arbeidskrachten die ze ooit waren. Ze zijn in het beste geval het product van liefde. En die liefde speelt hier hard mee.”

Manu Keirse:

Dat je leeft, ten koste van je ouders, doet je ongetwijfeld schuldig voelen. En dat moet je van je af kunnen praten. Want opgekropte schuldgevoelens zijn levensgevaarlijk

Het moet wat doen met een mens. Dat idee: mijn laatste uur is geslagen, wie zal er nu voor hem zorgen? “Al zijn we van alle dieren sociaal het verst gevorderd”, vertelt professor Nelissen. “We hebben een netwerk. Dat maakt dat je in die onbewuste fractie van een seconde ook hoopt: misschien kunnen de grootouders, tantes of hulpverleners voor hem zorgen? En dat je daar dan vrede mee neemt.”

Dat je als kind verweesd achterblijft, lijdt geen twijfel. Je leeft, ten koste van je ouders. “Die jongen zal zich enorm schuldig voelen”, meent Keirse. “Dat is ook een volstrekt normale reactie na het overlijden van een dierbare. Niet alleen kinderen hebben dat, ook volwassenen. Na de busramp in Sierre, bijvoorbeeld, kwamen veel ouders met de vraag: ‘Ik voel me zo schuldig. Is dat wel normaal?’ Want al hun naasten weerlegden dat natuurlijk: ‘Maar je bent toch niet schuldig, je kunt er toch niks aan doen dat een bus tegen een tunnel rijdt.’ En inderdaad, ze zijn niet schuldig. Maar ze mogen zich wel zo voelen, want dat gevoel heeft alles te maken met liefde.”

Het van je af praten, dat is de enige pil. Alleen zo, door het honderd keren te herhalen, krijg je die schuldgevoelens uit je lijf geschud. Keirse: “Laat die Franse jongen dus uitspreken als hij zegt dat hij zich schuldig voelt. Want opgekropte schuldgevoelens zijn levensgevaarlijk. Zo was er een jongetje van zes dat in de Ardennen een huis in brand stak: zijn twee vriendjes kwamen om in de vlammen. Toen de politie hem aansprak, was het eerste wat hij zei: ‘En ik heb mijn papa een jaar geleden ook al dood gedaan.’ Zijn vader was gestorven aan kanker, en al die tijd had die jongen zich schuldig gevoeld aan zijn dood. Alleen, hij kon het nooit uiten. Dan ontplof je.”

Uit: De Morgen, 10 augustus 2015

Written by Eline Delrue

10 augustus 2015 at 12:19 pm

Geplaatst in Uncategorized

‘Hij leek wel een baby van twintig kilogram’

with 2 comments


BRUSSELSE WETENSCHAPPERS ONTDEKKEN GEN DAT HERSENTUMOR KAN AFREMMEN:

VOLBLOED VECHTERTJE GUUST OVERWON DE STRIJD

Guust was net geen zes toen zijn felle migraine een hersentumor bleek te zijn. Ineens moest hij opnieuw leren spreken, stappen en op het potje gaan. Zijn brein liep blutsen op, zijn optimisme niet. ‘Bang, ik? Ik was zelfs niet bang toen ze in mijn hoofd prikten.’

Eline Delrue

3452bb9c7763695e96f38f59f1d8bc25784bf3441418477700“Verdrietig”, vertelt Guust. “Zo voel ik mij als er vriendjes uit het ziekenhuis doodgaan. Ik denk dan weleens dat het ook mij kon gebeuren.” Om dan, na een paar seconden stilte, uit te roepen: “Maar gelukkig is het bij mij zo niet gegaan.”

Guust zat in de derde kleuterklas toen zijn hoofd hoe langer hoe meer op barsten stond. Hoofdpijn, misselijkheid, braken: dat moest migraine zijn, dachten de artsen uit het West-Vlaamse Tielt. Toen het jongetje niet langer op zijn benen kon staan, raasde een ambulance naar Leuven, voor een tweede mening. Papa Sven: “Een paar uur later wisten we het al: er zat iets in zijn hersentjes dat daar niet thuishoort.”

Medulloblastoom, zo vertelde de man met de hamer. Een moeilijk woord voor de meest voorkomende hersentumor bij kinderen. Een kwaadaardige kanker in de kleine hersenen. Groeit de tumor, dan duwt hij de hersenen opzij, zodat de druk op het hoofd vergroot. Dat het gezwel de afvoer van het hersenvocht belemmert, maakt het alleen maar erger. “Tijdens de operatie kon de chirurg de hele tumor wegsnijden”, vertelt Sven. “Maar er waren al uitzaaiingen in de rest van de hersenen en in het ruggenmerg. Ik moet je wellicht niet vertellen dat zoiets een enorme klap is.”

Guust:

Omdat ik stopte met groeien, moest ik daar een hormoon voor nemen. Toen heb ik een groeispurt gedaan. Mijn zusje mocht toch niet groter blijven dan ik

Na de klap kwam de pech, gaat Sven verder. “Anderhalve week na de operatie werd Guust klaar gemaakt voor de chemo. Ze voerden hem weg en hij riep nog: ‘Tot straks, papa’. Maar toen we hem terugzagen, lag hij in een diepe coma. Blijkbaar toch een reactie van zijn brein. Drie weken lang lag hij daar, zonder te reageren. Kon hij vlak voor die chemo nog spreken, dan was hij nu zijn taal kwijt. Hij was een baby van twintig kilogram.”

Als een volbloed vechtertje spartelde Guust zich erdoor. In korte tijd leerde hij opnieuw spreken, stappen en zindelijk worden. Na één jaar chemo en zes weken bestraling kreeg hij het label tumorvrij. Van ‘genezen’ spreken de artsen niet, wel van ‘onder controle’.

Je zou het hem niet nageven als hij op het voetbalveld staat, dat deze jongen al kanker moest overwinnen.”Uiterlijk zie je niets aan hem”, zegt Sven. “Maar wat er zich vanbinnen afspeelt, dat is een ander verhaal. Hij draagt er veel van mee, moest zijn eerste leerjaar ook starten in het buitengewoon onderwijs. Zie je hem samen met leeftijdsgenoten, dan merk je dat hij alles trager verwerkt. Veel meer dan vroeger heeft hij ook nood aan vaste structuren. Zodra zijn vriendjes de spelregels ook maar een beetje veranderen, vraagt dat aanpassingstijd.”

Papa Sven:

Voor Guust moet het leven nu één groot feest zijn. Maar we merken dat hij ook met gevoelens zit als angst en boosheid. Die moet hij nog leren uiten

Dat de Brusselse wetenschappers de deur open zetten naar een betere behandeling, is hoopvol, zegt Sven. Want de bestraling heeft veel schade aangericht bij zijn zoon: niet alleen cognitief en sociaal, maar ook hormonaal. Guust: “Omdat ik stopte met groeien, moest ik daar een hormoon voor nemen. Toen heb ik een groeispurt gedaan. Mijn zus Trien (8) mocht toch niet groter blijven dan ik. (lacht)

Dat hij na de coma, “die lange slaap”, een beetje draaierig was, vertelt Guust nog. En dat hij blij is dat hij weer leerde lopen en babbelen. “Ik was toch een beetje bang dat ik dat nooit meer ging kunnen. Maar voor de dokters ben ik nooit bang geweest. Ook niet toen ze in mijn hoofd moesten prikken.”

Een vat vol optimisme, zo omschrijft Sven zijn oudste. Toen en nu. “We hebben veel staan dansen in zijn ziekenhuiskamer in Leuven. Het was niet alleen kommer en kwel. ‘Laat de zon in je hart’ is zijn lievelingslied. Zo fout als maar kan, maar wat hebben we gedanst. (lacht) Toch merken we dat hij onder die vreugde ook met gevoelens zit als angst, verdriet en boosheid. Telkens als er een kameraad uit het ziekenhuis overlijdt, is hij daar zwaar van aangedaan. Die gevoelens moet hij nog leren uiten.”

Een zoon die kanker overwint, dat straalt af op het hele gezin, merkt Sven. “We stellen leuke dingen niet meer uit. Een tijd geleden vroeg Guust of we konden uitrekenen wanneer we met ons vier samen honderd jaar zouden worden. ‘Dat gaan we toch vieren hé’, vroeg hij. Ooit hadden we dat een gek idee gevonden, nu konden we zo’n feestje alleen maar aanmoedigen.”

Al slaat de schrik soms om het hart. Zelfs als een gewone verkoudheid het hoofd doet bonken en bonzen. “Dan is mama veel bezorgder dan ik”, zegt Guust stoer. Allemaal spanning voor niks, als je het Guust vraagt. Bij zijn laatste scan, in september dit jaar, was alles nog ‘onder controle’. “Allez hop”, zei hij daar toen over. “We kunnen weer zes maand leven.”

Uit: De Morgen, 11 december 2014

Written by Eline Delrue

13 december 2014 at 1:58 pm

Geplaatst in Uncategorized